WACHT MAAR... VAN FRIEDA SNEL
Een verzenbundel om te ‘vinden’
De titel “Wacht maar” van de pas uitgekomen gedichtenbundel van
Frieda Snel, klinkt een beetje als “Wacht maar.. ik zal je wel
weten te vinden...”. Woorden die misschien aan humor doen denken maar
eerder dienen opgevat te worden als lichte zelfspot. Achter de korte
titel steekt een berg zelfkennis. Na de dingen dagen, maanden of jaren
te hebben geobserveerd zet de dichter zich aan het werk. Gewaarwordingen
en ervaringen werden opgetekend in sobere, krachtige verzen, waarbij
duidelijk gesteld wordt dat helder denken de voorrang heeft op
sentimentele verzuchtingen. Hier is iemand aan het werk die wellicht zal
gedacht hebben : “Ik zal je wel weten te vinden...”, alsof er een
weddenschap diende aangegaan te worden met het ego om al dichtend de
uitgang te vinden van het labyrint waarin het ik gevangen zit.
Wie het geluk heeft de verzen van Frieda Snel te ‘vinden’, weet meteen :
hier komt niet de eerste de beste aandraven met wat genoemd wordt een
eersteling. Nee, het gaat om volwassen poëzie die je niet naast je kán
neerleggen, zodanig raak je in haar greep. In deze bundel boeit elke
letter ; vanaf de eerste tot de laatste. Het begint al bij Stof
en het verrassend einde daarvan. In één ‘simpele’ regel ligt een heel
leven besloten.
Stof
Windveren jagen augustus
de maand uit. De oostenwind brengt
stof en een aanzwellend zweten,
populieren vormen buigzaam hun front
bruin daalt het dwarrelend zaad van de berk.
Het schort aan een kou in de lucht
die zeeën te hoog ons de luiken doet schalmen.
Het is het seizoen dat ons bindt,
dat ons vruchteloos ophoudt.
Oogst die de pluk doorstond.
Wat dichters denken weten we niet, toch niet altijd, en ook niet hetgeen
ze voelen. Maar als ze dan zelf zeggen wat ze hebben gedacht, kan
daaruit een veelzeggend gedicht voortvloeien. Alsof je als lezer zelf
verschiet (van kleur) op het einde, zo onverwacht komt de laatste regel
op je toe.
Ik dacht
Ik dacht de weiden groener
dan ze ooit zouden zijn
en jou zo trouw als je zijn kon.
Ik dacht de hemel blauw
en jou zo groen
dat het je niet benauwde.
Ik dacht onze lijven wit
en zo vatbaar voor vuur
dat ze voelbaar verkleurden.
Ik dacht dat ik het met jou
voor het denken had,
dat je daar niet van verschoot.
Één van de meest intrigante verzen (naast de zoveel andere) uit “Wacht
maar”, is en blijft voor mij Nazomer. Hoe Frieda Snel
het verstaat een zo indringend gedicht neer te schrijven met amper een
muurpot, een rupsje, een gieter, grenst aan een wonder. De dubbelzinnige
betekenis van dit op eerste zicht eenvoudig gedicht (let op, ik zeg wel
op eerste zicht), verheft het geheel tot op de hoogste trede van de
dichtkunst. Het laatste vers, en de eindregel, reiken ons de sleutel aan
van de deur van de geheim gehouden kamer. De waarneming van hoe een mens
een andere mens gadeslaat, daarbij de kleine gebaren van het sensueel
gebeuren groot schrijvend... je moet het maar kunnen.
Nazomer
We waren thuis gebleven in de kleine tuin.
Er kwam ander weer, de warmte werd
vochtig, je liezen hadden klam aangevoeld,
voor het eerst rook je adem benauwd.
Vanachter een muurpot haalden we een rupsje
van hout, ogen op steeltjes had hij willen hebben;
met tussen zijn kaken nog het gekartelde blad
was hij toch niet zo dood als hij zijn kon.
Het paddengeratel kwam uit de gieter,
leeg lag een vuil blad op de bodem.
Werd er achter het sedum uitgeschud,
sprong van hebe naar hedera,
gek zou de kat er vanavond van worden.
Je liep in je hemd. Ik zag hoe groezelig
de randen waren en niet van zweet alleen.
Ik voelde hoe genoeg het weer was, en hoe
dat wel om jou ging, maar zo weinig in
het bijzonder dat je het niet zou begrijpen.
Altijd het einde van iets, nooit wen je daar aan.
In bijna elk gedicht zit dezelfde relativerende ondertoon. De
aandachtige lezer zal uit de verzen dátgene halen wat er in verborgen
zit : een niet nader te omschrijven schrijnend iets. Allicht zal hij dat
doen vanuit zijn of haar eigen gemoedsgesteldheid.
Achter de gedichten van Frieda Snel moet je geen bedoeling
zoeken. Je moet er poëzie weten uit te puren. Hier is een mens aan het
werk die zijn gekneusde, dappere, fiere ziel in zijn gedichten legt ;
blootlegt, achter zijn aan te leggen mimicry.
Zon
Ik was weer uitgewoed. Om te bedroeven
wilde ik zijn op een open, lege vlakte.
Verwijzingen zocht ik om aan iets
en iemand te ontsnappen, maar niet
ver van huis boden zich alleen
havens aan, randweg, centrum -
zo nadrukkelijk had dat niet gehoeven.
Voorbij alle afslagen hield een grote zon
die onder moest mij ten slotte staande.
Bij de bloedrode kitsch oefende ik voor straks
mijn mimicry. Stralend opgaan zou ik, doen
verbleken, doodlopen, geen twijfel aan.
Er komt een tijd dat elkeen naar een uitvlucht zoekt om te kunnen
ontsnappen aan de dagelijkse sleur. Hoe verder we staan in het leven,
hoe vaker die gedachte opduikt in ons. Dichters zijn daarin niet anders
dan andere mensen. Ook bij hen wordt het vaak een uitvlucht zoeken om af
en toe te kunnen vluchten in de armen van een of andere bloeiende
illusie. Dat je daarbij ‘de lat te hoog legt’ is van geen tel. Je moét
en je zal op de vlucht slaan, al besef je maar al te goed dat binnen de
kortste keren je vleugels weer lam zullen liggen.
Vlucht
Zijn ouders komen aangekondigd op bezoek
dus ik ontsnap naar een verre vriendin.
Een dader heeft bij haar twee kinderen
verwekt, maar hoeft er niet meer op te passen,
hij zorgt in lege harmonie nog voor de poes.
Waar was je, vraagt hij ‘s avonds met
het huis aan kant, de kinderen naar bed,
de gekregen plant al begripvol in een pot.
Hij heeft het hele bord nog voor zijn kop.
Ik klink toonlozer nog dan ik bedoel
als ik de waarheid zeg. De lat te hoog
gelegd, de aanloop vals begonnen,
mezelf op het verkeerde been gezet.
Hoe verder je leest in de bundel, hoe meer je zou willen dat er geen
laatste bladzijde komt. Elk gedicht spreekt aan ; is een verrassing.
Telkens weer op een andere manier weet Frieda Snel de lezer te
boeien. Het zit hem in de dubbele laag die vraagt om ontgonnen te worden.
Zo ook in het gedicht Ziek. Steeds is er een krachtig slot aan
het gedicht, wat vaak het moeilijkst is ; elke dichter heeft daar
ervaring mee.
Ziek
Een kind is ziek, het doet me zachtjes vloeken.
Ik houd van hem, maar zie de puber al
die hij moet worden, de wilde tirannie
om vrij te zijn. Ik zit nu vast
en neem mijn toevlucht tot een oud recept,
ruim kasten op om kwaad te kiezen
tussen niets wegdoen en te veel bewaren.
Dan pers ik sinaasappels uit en voer
een lief gesprek. Het andere kind
komt straks weer regelrecht naar huis.
Ik sta in het verzet alleen.
Voor ik hier wegga sterf ik al mijn doden.
‘Thuiskomst’ is het voorlaatste gedicht uit de bundel. Het is duidelijk.
Alles staat er zwart op wit. In de bundel steekt veel gerelativeerd leed
als ware elk gedicht een overwinning op de onmacht. Er is het besef van
het onvermogen van een mens om een andere mens te bereiken. Misschien
het onvermogen van een dichtende ziel om een eendere ziel te bereiken ;
een gelijkgezinde. Een even innige als die van Frieda Snel zelf.
Thuiskomst
Niets had ik nagelaten.
Ik had me opgemaakt,
net, als voor het eerst
en schipperde mijn weg
naar de zoete inval van
een blijmoedige thuiskomst.
Achter de kierende deur
bleef het stil. Ik verbeeldde
me loshangende ramen, gas
dat veelbelovend stroomde,
vertrouwd geroep vanachter
keldermuren, alleen in de tafel
een vreemd, trillend mes.
Er was niet gedekt.
Er was op me gerekend.
De bundel WACHT MAAR van FRIEDA SNEL is een vóltreffer,
des te meer omdat het om een debuutbundel gaat. Dient daaraan nog iets
toegevoegd ? Nee, meen ik. Poëzie – die naam waard - prijst zichzelf aan.
(Wie de dichtbundel wil bestellen kan dat best doen langs De
Poëzietuin om)
Iris
Van de Casteele
10
december 2001
|