| |
Stad in de storm
'Stad in de storm' speelt in de 17de eeuw, van het rampjaar 1672 t/m
1674, het
jaar waarin Utrecht voor een groot deel door een orkaan werd verwoest.
In 1672
werd de Republiek der Zeven Provinciën van 3 kanten aangevallen: vanuit
zee
door de Engelsen, vanuit het zuiden en oosten door de Fransen onder
leiding van
Lodewijk de 14de en door de bisschoppen van Munster en Keulen. Het land
was
reddeloos, de regering radeloos, het volk redeloos. Centraal in het
verhaal staat Utrecht. Beschreven wordt hoe de stad, haar
inwoners en haar kerken en huizen te lijden hebben onder 2 stormen: de
bezetting door achtereenvolgens Franse en Hollandse troepen, en de
orkaan die
over de stad heen trok.
Het verhaal wordt verteld door een ik-figuur en in de
vorm van een raamvertelling, vanuit het jaar 1702, waarin Koning
stadhouder
Willem 111 overleed, blikt Hans, de hoofdpersoon, zoon van de drukker en
boekhandelaar Ortelius, terug op de gebeurtenissen 30 jaar tevoren:
1672,
toen prins Willem van Oranje tot stadhouder werd benoemd om het land te
redden.
Ook denkt hij terug aan de mensen die een grote rol in zijn leven hebben
gespeeld. Aan het eind van zijn memoires maakt hij de rekening op van
zijn leven
en verstopt het manuscript opdat niemand het zal kunnen lezen, een
bekende truc
om een verhaal de schijn van historiciteit te verlenen.
Thea Beckman wil ons inderdaad de geschiedenis laten beleven alsof het
werkelijk zo gebeurd is, weliswaar met enige verzonnen personages, maar
die zijn
nodig om als schrijfster speelruimte te hebben en om het perspectief aan
te
geven van waaruit zij de historie bekijkt. Het verhaal speelt zich af op
twee
niveaus: het historische verslag van de belangrijkste militaire en
politieke
gebeurtenissen en de beleving en beoordeling daarvan door gewone
burgers. Op dat
tweede niveau kijken we mee door de ogen van de 15- (later 17-) jarige
Hans
Orteliuszoon, een eenvoudige burger die in een unieke positie verkeert.
Als zoon
van een drukker bevindt hij zich in het centrum van garing en
verspreiding van
nieuws over het verloop van de oorlog, als medewerker aan de illegale
pers
hanteert hij het machtige massamedium van vlugschriften en plakkaten.
Aan het begin van het verhaal is Hans getuige van het wegen van een
'Heks' in
Oudewater. De vrouw, Elisabeth, krijgt het certificaat dat haar leven
redt. Hans
noemt Elisabeth en haar 15(?)-jarige dochter Lina mee naar Utrecht, naar
huis.
Ondanks het feit dat ze katholiek zijn en dat aan hen het verdachte
luchtje van
hekserij kleeft, mogen ze bij de strengcalvinistische weduwnaar Ortelius
blijven. Uit menslievendheid of omdat de vrouw zo mooi is, vraagt Hans
zich af.
Inmiddels is Hans bevriend geraakt met Joris, knecht op de trekschuit
van
Oudewater naar Utrecht. Hij speelt vooral als antipode van Hans een
belangrijke
rol in het verhaal: ongebonden levenslust tegenover calvinistisch
plichtsgevoel.
Wanneer de republiek wordt aangevallen, neemt Joris dienst in het
Staatse leger,
minder uit idealisme, meer vanwege de soldij en het avontuur. Van een
andere
soldaat krijgt Hans een ooggetuigenverslag van de moord op de gebroeders
De
Witt, die in 's-Gravenhage gelyncht worden, door het gepeupel, zonder
dat de
prinsgezinde troepen mogen ingrijpen. De prinsgezinde Hans is geschokt.
Het
landleger heeft zich achter de waterlinie teruggetrokken en de vloot
onder
leiding van Michiel Adriaenszoon de Ruyter houdt de Engelsen op een
afstand.
Utrecht wordt door Franse troepen bezet. Tijdens de bezetting raakt Hans
betrokken bij de ondergrondse pers, die de bevolking van Utrecht op de
hoogte
houdt van de kansen van het Staatse leger. Tenslotte geven de Fransen de
belegering van de vesting Holland op en trekken weg, met medeneming van
zoveel
mogelijk goud en kostbaarheden. Vele franse huursoldaten deserteren en
duiken
tegen betaling bij Utrechtenaren onder, ook bij Ortelius.
Hans raakt daardoor in een gewetensconflict: geld verdienen aan je
voormalige
onderdrukker, kan dat? Zeker wel, vinden zijn vader en andere burgers,
we zijn
genoeg uitgezogen door de Fransen. Voor Utrecht verandert er weinig. De
stad
wordt onmiddellijk weer bezet, nu door de Staatse troepen. De
Staten-Generaal
erkent het Sticht niet langer als provincie; het wordt
generaliteitsland,
bestuurd vanuit 's-Gravenhage vanwege de vermeende opportunistische
houding van
de Utrechtse burgerij tijdens de Franse bezetting. Dat Utrecht bij de
nadering
van de Fransen door het prinsenleger 'm de steek werd gelaten en dat het
ondergronds verzet pleegde tegen de bezetter speelde voor Holland en
Zeeland
blijkbaar geen rol.
Net is Utrecht opgelucht zonder belegering en beschieting door de
Staatse
troepen van de oorlog afgekomen te zijn, of het wordt getroffen door een
orkaan
die zeker evenveel schade aanricht. Het middenschip van de Domkerk, vele
kerktorens en gebouwen storten in. Voor Hans, intussen in stilte
verliefd op
Lina, stort niet alleen letterlijk zijn hele wereld in, als Lina
verklaart dat
ze samen met Joris de wijde wereld wil intrekken. Hans (maar niet de
oplettende
lezer) moet volkomen verrast toezien hoe Lina kiest voor de vrijheid en
het
levensgeluk en tegen het calvinistische plichtsgevoel, jegens jezelf, de
stad en
de kerk, tegen een 'leven van werken, sparen, lijden, de ogen gericht op
de
vrede van het hiernamaals'. Aan het eind van het boek keren we terug bij
de
dertig jaar oudere Hans, die terugblikt op zijn leven: dat was niet
groots en
meeslepend, zoals Joris en Lina leefden, maar bezadigd en
kleinburgerlijk, zoals
zijn vader.
Echt spannend is het verhaal slechts op een paar momenten. Onder andere
in
het ooggetuigenverslag van de slag bij Lobith, een bloedbad dat de
zinloosheid
van oorlog illustreert; ook in de wijze waarop een boer gedwongen wordt
om zijn
eigen land te laten onderlopen ten behoeve van de waterlinie en de beide
keren
dat Lina in levensgevaar verkeert. Tot tweemaal toe wordt zij gered,
niet door
Hans, maar door diens vriend en medeminnaar Gerrit-Jan. De eerste keer
wordt
Lina aangevallen door een dronken Franse soldaat. Hans kijkt versteend
toe, maar
Gerrit-Jan werpt zich voor de sabel. De tweede keer aan het sterk
vertelde slot:
op een broeierige augustusdag in 1674 wandelt Hans met Lina langs de
Kromme
Rijn. In een herberg doen zij zich te goed aan spijs en drank. Hans
heeft Lina
net voorzichtig gezoend als ze plots gestoord worden door Gerrit-Jan,
die prompt
begint met Lina voor de ogen van Hans te versieren, terwijl Hans
werkeloos
toekijkt: een sterk staaltje van subassertief gedrag! Vreemd, misschien
wel laf,
is dat Hans hier niet reageert, terwijl aan het slot blijkt hoe
belangrijk zijn
verliefdheid op Lina was: omdat hij haar niet heeft kunnen krijgen is
hij
ongetrouwd gebleven. Ten opzichte van Gerrit-Jan is Hans
onwaarschijnlijk
verdraagzaam.
Gedrieën wandelen ze terug naar Utrecht. Daar worden ze overvallen door
de
orkaan en dan redt Gerrit-Jan weer Lina's leven door haar met zijn eigen
lijf
tegen vallend puin te beschermen. Dat wordt zijn dood. Het verhaal kent
niet
veel van zulke spannende momenten, maar is wel voortdurend onderhoudend.
Een
punt van ondergeschikt belang is, dat ik tijdens het voorlezen van het
verhaal
aan brugklassers merkte dat wat ik preuts vind voor hen opwindend is. Zo
wordt
er herhaaldelijk op gewezen hoe mooi Elisabeth is. Dat ;mooi; wordt
echter als volgt toegelicht: ;Wat vooral opviel was haar koperkleurige
haar
dat losgemaakt over haar schouders golfde. Onder het dunne hemd
schemerde haar
goedgebouwde lijf, ze moest lange benen hebben en ze liep fier rechtop,
de kin
in de lucht, de mooie borst (enkelvoud! M.V.) vooruit alsof ze de
gapende
menigte moest tarten.; Suggestief inderdaad, maar biologisch klopt het
niet
helemaal.
Het verhaal is vooral de moeite waard vanwege de visie op de mens en de
oorlog: machtsconflicten tussen partijen (prinsgezinden en
staatsgezinden),
tussen hogere heren ten koste van eenvoudige boeren en burgers. Dat
leidt tot
een genuanceerde kijk op begrippen als vriend en vijand, heldenmoed,
oorlogsromantiek, vaderlandsliefde en verdraagzaamheid.
Een paar citaten ter illustratie: Joris' ooggetuigenverslag van het
bloedbad
bij Lobith, waarbij hij zich volgens zijn meerderen heldhaftig gedragen
heeft-
'Is dat moed? prevelde hij, niets meer voelen, niets meer weten, die
doffe onverschilligheid voor alles? Liggen schieten als een automaat,
als een
kermisgast die hoe dan ook iets wil raken? Dat woeste erop in hakken
zonder één
gedachte in je hoofd... Als dat dapperheid moet voorstellen!; Als de
Fransen Utrecht bezetten denkt vader Ortelius zijn huisgenoten gerust te
kunnen
stellen met: ;Fransen zijn geen barbaren, het zijn beschaafde mensen als
wij.; ;Jawel, dacht ik, maar hoe beschaafd zijn wij?; Tijdens de
bezetting blijkt dat er onder de Franse soldaten wrede en humane mensen
zijn:
geen schokkende ontdekking, maar wel nuttig om vast te stellen. Fransen
folteren
gevangenen op de pijnbank net zo goed als Duitsers dat doen.
Het valt me op dat het wangedrag van de soldaten geëxcuseerd wordt door
te
verwijzen naar het verkeerde voorbeeld van hun superieuren. Voortdurend
wordt
bij de lezer begrip gekweekt voor de arme huurlingen: ook maar gewone
mensen,
die zich een bestaan moeten verwerven. Begrip voor de positie van de
kleine
luiden is best, maar dat mag geen excuus lijken. Het lijkt me dat ze
persoonlijk
verantwoordelijk blijven voor hun oorlogsdaden, temeer daar ze die
vrijwillig en
voor het geld verrichten. Deze nuancering ging me wat te ver.
Duidelijk kiest Thea Beckman partij voor de gewone mensen. Zij laat zien
hoe
zij de ware helden zijn in de vrijheidsstrijd van de republiek en niet
alleen de
prins van Oranje en admiraal Michiel Adriaensz de Ruijter en Cornelis
Tromp.
Maar even duidelijk laat zij zien hoe de belangen van de gewone burgers
opgeofferd worden aan die van de hogere heren. De waterlinie b.v.
beschermt de
rijke patriciërs in Holland tegen de begerige, op oorlogsbuit beluste
Fransen,
maar voor de verdreven boeren was zij de ondergang van hun bestaan. Het
cynische
is dat eenvoudige soldaten de belangen van de patriciërs moeten
verdedigen door
boeren te executeren die de waterlinie saboteren door de gaten in de
dijken weer
te dichten.
Het beeld van de republiek als oase van verdraagzaamheid, waar iedere
andersdenkende uit Europa een veilig toevluchtsoord kon vinden wordt
behoorlijk
verstoord, op zijn minst bijgesteld: tegen over de heksenjacht in
Beieren
(waarvan Lina's vader slachtoffer werd) staat de lynchpartij in
's-Gravenhage,
tegenover de vervolging van de Hugenoten m Frankrijk staat de
discriminatie van
katholieken in de calvinistische republiek.
Als enige illustraties bevat het boek een stadsplan van Utrecht aan het
eind
van de 17de eeuw en een kaart van de Zeven Verenigde Provinciën. Thea
Beckman
heeft zich vóór het schrijven van ;Stad in de Storm; grondig
verdiept in de geschiedenis van Utrecht en de republiek in de 17e-eeuw,
daarvan
getuigt de lijst van geraadpleegde literatuur achterin het boek. Voor
zover ik
dat kon nagaan heeft zij de lezer een betrouwbaar verslag gedaan, al
heeft zij,
gelukkig in haar beschrijving het standpunt van de gewone mensen
gekozen. Daarin
sluit zij aan bij een verschuiving in het geschiedenisonderwijs op
school van
politiek-militaire naar sociaal-economische geschiedenis, d.w.z. meer
belangstelling voor het dagelijks leven in vroeger tijden, minder voor
de
manipulaties van de machthebbers. Stad in de storm lijkt me om twee
redenen zeer
aanbevelenswaard als historisch jeugdboek: het is voor kinderen (en
volwassenen!) die in staat zijn zo'n dikke pil boordevol informatie en
belevenissen te verwerken, een aangenaam leesbare en betrouwbare les in
vaderlandse geschiedenis (zeker als je in Utrecht woont, de stad waar
een eeuw
tevoren (in 1579) de onlangs herdachte Unie van Utrecht werd gesloten,
de
staatkundige basis van de latere republiek). De tweede reden is dat het
bovendien een tolerante en humanistische levensles bevat; het laat zien
hoe goed
en hoe slecht mensen zich gedragen in kritieke situaties. In dat opzicht
lijkt
het op het betere jeugdboek over de tweede wereldoorlog, zoals
;Oorlogswinter; van Jan Terlouw en ;Oorlog zonder vrienden;
van Evert Hartman: andere rampjaren, maar dezelfde menselijke problemen.
|
|