HET GEVAAR
JOS VANDELOO
Geschreven door Laurent
Vincent
1) Korte inhoud:
Het boek begint met een flash forward, waarin het
verhaal eindigt.
Alfred Benting stapt de trein op, hij is kunnen
ontsnappen aan een radioactieve besmetting. Tegenover Benting gaat een
man zitten. Hij zou iedereen of niemand kunnen zijn. Hij is in het zwart
gekleed en stelt zich voor als Edward Lava.
Lava grijnst naar Alfred en staart hem wat aan.
Alfred voelt zich daar erg ongemakkelijk bij, en tracht Lava van zich af
te schermen door een tijdschrift te lezen.
Lava haalt daarop
doodleuk een oog uit zijn oogkas en verlaat de trein, terwijl het oog op
het tafeltje van de trein blijft liggen. Net voor Lava vertrok, zei hij:
“We zien elkaar nog wel.”
Kort daarna zakt Benting
in elkaar en overlijdt.
Pas in het eerste
hoofdstuk kan het verhaal echt beginnen. Het ongeluk is net gebeurd
Benting wordt onderzocht op radioactieve straling. Hij is eerst grondig
gewassen geweest en vervolgens met chemicaliën bewerkt. Maar het helpt
niet. Benting is niet angstig. Hij heeft trouwens al eens in zo’n bad
gezeten en toen bleef er geen spoor meer achter van enig gevaar.
Molenaar werd het eerst
onderzocht, dus veronderstelt Benting dat Dupont wel na hem zal
onderzocht worden.
Na het eerste onderzoek
blijkt dat de straling te groot is geweest, daarom worden de drie
collega’s naar het Academisch Ziekenhuis overgebracht.
Ze worden er helemaal
geïsoleerd. Gelukkig kunnen ze ’s nachts naar de treinen luisteren, wat
een symbool is dat er nog leven is.
Benting vertikt het om
in zijn bed te blijven liggen en staat vaak voor het raam naar de
populieren te kijken. Voor Dupont is voor dat raam staan nog een
zwaardere marteling dan in zijn ziekbed liggen.
Op de vierde dag lijkt
het alsof Benting en Dupont wat beter worden. Diezelfde nacht nog worden
ze echter zieker dan voorheen. Ze krijgen hoge koorts en haaruitval.
Molenaar, die het ergst
getroffen is geweest, heeft ondertussen te horen gekregen dat hij niet
lang meer te leven heeft. Dupont en Benting hebben nog maximaal acht
dagen te gaan omdat het aantal witte bloedlichaampjes enorm snel
terugloopt.
De vijfde dag sterft
Martin Molenaar aan zijn ziekte.
Ondertussen gaat het
weer wat beter met Dupont, terwijl Benting zich slechter voelt.
Harry Dupont wordt bang
bij de gedachte dat hij wel eens de enige overlevende van dit ongeval
zou kunnen worden. Liefst van al zou hij zo snel mogelijk uit de
quarantaine willen raken.
Als Benting zich de
daarop volgende dag ook wat beter voelt, stelt Dupont voor om te
vluchten. Benting is niet gewonnen voor een escapade. Hij wil namelijk
geen onschuldige mensen besmetten. Dupont laat echter niet los en tracht
Benting te overtuigen.
Op de tiende dag ziet
Dupont zijn vrouw terug vanuit het raampje. Op dat moment wordt hij nóg
onrustiger. Benting denkt ondertussen ook dat de omgeving hem wel zieker
zou kunnen maken dan hij in werkelijkheid is en stemt tenslotte in met
Dupont.
Na het avondeten zetten
beide heren hun plan in werking. Na het eten blijft de deur namelijk één
uur geopend. Beiden glippen de kamer uit en alvorens naar de lift te
stappen ontvreemd Benting nog gauw wat medicijnen. Daarna gaat het naar
de kelder, waar 2 ambulances staan.
Beiden stappen in één
van de ambulances en rijden richting Dupont’s appartement, waar de vrouw
van Dupont gevraagd wordt om kleren en geld in de lift te leggen. Harry
neemt afscheid van zijn vrouw en vertrekt samen met Benting naar het
park.
Eens in het park
aangekomen verdelen ze het geld en de kleren. Vanaf dat punt scheiden de
wegen van Harry Dupont en Alfred Benting.
Dupont loopt naar een
café en geniet er van een frisse pint. Plots begint hij wat te wankelen
en stoot zijn glas omver. Dupont heeft zich gesneden aan een glasscherf
en kan er niet in slagen het bloeden te stelpen. Hij overlijdt kort
daarna.
Alfred gaat op zoek naar
zijn oude tante waar hij vroeger een studentenkamer had.
Ondertussen zijn we al
aan de twaalfde dag na het ongeluk aangekomen. Alfred ziet er ronduit
slecht uit en zijn tante wordt steeds achterdochtiger. Daarom besluit
Benting om op de dertiende dag weg te gaan en een treinreis te
ondernemen. Ver weg van het ziekenhuis.
Het boek eindigt met de
epiloog, die een vervolg is op de proloog.
Benting hoort
verschillende mensen zeggen dat hij dood is. Hij ziet hen ook, maar kan
geen teken van leven geven. Ook de dokter legt de dood vast. Benting kan
en wil niet begrijpen dat dit het einde is. Na een poosje wordt hij
plots weer wakker in het mortuarium. Er zijn twee lichamen die hem
bespieden. Één ervan is Edward Lava. Ontsnappen kan niet meer.
2) De
hoofdpersonages: uiterlijk en karakter; op basis van voorbeelden
(fragmenten) + de evolutie van hun persoonlijkheden:
De hoofdpersonages zijn
Alfred Benting, Harry Dupont en Martin Molenaar. Ze werken allen in het
centrum voor atoomsplitsing.
Alfred Benting is
een betweter. Hij is arrogant, veelzijdig, maar ook heel spraakzaam. Hij
lijkt ook veel zakelijker te zijn en is duidelijk wat verstandiger dan
zijn twee collega’s.
Fragment:
“Wat zou hij te verkopen
hebben? Nee, geen boenwas, dat was niets voor hem. Ook geen boeken,
etsen of reproducties. Waarschijnlijk een of ander handigheidje voor
huisvrouwen, iets in nylon of plastiek. Hij zag er uit zoals hij moest
uitzien. Een beetje arrogant, veelzijdig, spraakzaam, een betweter. En
ook een beetje vermoeid na al die jaren.”
Fragment:
“ ‘We zijn gevaarlijke
individuen, Dupont,’ antwoordt Benting. ‘We zijn rot van de
radioactiviteit.’ ‘Mijn vrouw zal weer ongerust zijn,’ zegt Dupont. ‘Ze
zullen haar toch wel voorzichtig van alles op de hoogte gebracht hebben
gesteld?’
‘Stel je gerust, de
sociale dienst werkt perfect. Je vrouw zal slechts met stukjes en
brokjes vernemen, dat ze zich langzaam op het weduwschap mag
voorbereiden.’
Fragment:
“Vreemd, dat iemand hier
lacht. Het is abnormaal. Er moest in grote letters op de muren staan:
HIER LACHT MEN NIET. Of: STRENG VERBODEN TE LACHEN. De Overtreder Wordt
Met Dwangarbeid Bestraft.”
Harry Dupont is
de man van de fysica-afdeling in de kerncentrale. Hij kan op een naïeve
manier blij zijn, eigenlijk is hij een groot kind.
Hij is energiek en heeft
een temperament dat hem gauw tot woede of blijdschap verleidt. Dupont
bezit ook over de gave om een feit uit een speciaal oogpunt te bekijken.
Fragment:
“Elkeen die Dupont kent,
zou verwacht hebben dat hij iets grappigs zou hebben gezegd. Maar ook
Dupont zegt niets. Hij lacht niet eens. Zijn gezicht staat strak, het
heeft een stroeve, bevroren uitdrukking.”
Fragment:
“Hij kan nog even
fantastische plannen maken als toen hij vijftien jaar was. En nu is hij
vijfenveertig. Hij is even spoedig ontredderd als een kind iets hem
tegenvalt of als hij een beetje ziek is.”
Martin Molenaar
is doorgaans een stille, rustige jongen. Door zijn nonchalance droeg hij
een grote verantwoordelijkheid in het ongeluk. Hij sterft heel snel in
het boek.
3) Het thema +
fragmenten:
Het boek handelt over
de gevaren van een ongeluk in een kerncentrale, met andere woorden, het
gevaar voor een radioactieve besmetting. Centraal in dit boek staat de
machteloosheid van de mens ten opzichte van dit gevaar, en hoe die
machteloosheid omslaat in angst, onzekerheid, eenzaamheid, en tenslotte…
de dood.
Voorts wordt er door de
auteur ook nog verwezen naar een ander gevaar, dat van het egoïsme. Een
gevaar dat misschien op termijn nog een groter probleem kan worden.
Fragment1:
“De patiënten zijn
volledig afgezonderd in een vrijwel van alles geïsoleerde wereld. Ze
zien nu en dan één van de twee verpleegsters of de professor, die
nauwkeurig het verloop van de ziekteverschijnselen volgt. Ze eten zeer
weinig. Hun eetlust is volkomen verdwenen. Elk fysiek verlangen schijnt
uitgeblust. Dupont heeft zich wel even afgevraagd, wat zijn vrouw
hiervan zal denken. Het is belachelijk. Alsof het op dit ogenblik nog
belangrijk is wat die vrouw er van denkt.”
Fragment2:
“Dupont zegt: ‘Ik
begrijp er niets van, Alfred. Je bent bang om hier vandaan te gaan. Je
wilt wel, maar je denkt aan anderen. Aan al die vreemdelingen in de
stad, die je misschien, wie weet, een beetje ziek zult maken. Je hebt
medelijden met de wilden, die ginds in de huizen, flats en appartementen
wonen. Heb je je ooit al afgevraagd wat ze voor elkaar doen en zijn? Hoe
zelfzuchtig ze in hun dagelijks ikcirkeltje rondrennen? Ik zal het je
zeggen: het zijn kleine barbaren, van de morgen tot de avond.’ ”
Fragment3:
“Een schok van
herkenning ging door Benting. Een grote moedeloosheid overviel hem, een
grondeloze teleurstelling maakte zich van hem meester. Het was
nutteloos. Hij hoefde niet meer te vechten, hij hoefde niet langer te
vluchten, alles was nu voorgoed gedaan, gespeeld, gesloten. Er stond een
punt achter zijn leven. Ontsnappen was onmogelijk gebleken. Vluchten was
zich begraven in een eindeloze illusie.”
4) Mening op basis
van argumenten:
Jos Vandeloo had dit
boek makkelijk driehonderd bladzijden lijviger kunnen maken indien hij
voor wat meer diepgang had gezorgd. Maar dat is nu eenmaal zijn
schrijfstijl niet.
Toch was de simpelheid
van het verhaal het meest storende aspect. Zo krijgen we bijvoorbeeld
niet de informatie van wat er nu juist is verkeerd gelopen in de
kerncentrale, of wat nu eigenlijk de werking van de medicijnen is die de
patiënten krijgen toegediend.
Dit wil niet zeggen dat
Jos Vandeloo geen goede poging heeft ondernomen om de jeugd te
waarschuwen voor enkele gevaren in onze samenleving zoals
onverschilligheid van professor Wens en de verpleegkundigen, de
egoïstische houding vanuit de hoek van de kerncentrale die de patiënten
min of meer aan hun lot overliet.
Verder is het ook wel
‘leuk’ om zien hoe de verschillende personages vechten tegen het
noodlot.
Dit boek kan je
eigenlijk het best verslinden op een regenachtige zondagochtend.
5) Bruikbaarheid
in de klas:
Ondanks het feit dat
dit boekje geschreven werd in 1960 werpt het een aardig beeld op onze
huidige samenleving. Kijk maar eens om je heen en zie hoeveel mensen er
totaal onverschillig over straat lopen, of automobilisten die andere
chauffeurs dolgraag een hak willen zetten uit puur egoïsme.
Vanuit dat standpunt
lijkt het me heel interessant de jeugd bewust te maken voor dit
probleem, zodat de volgende generaties er niet mee geconfronteerd hoeven
te worden.
Ik zie dit boek als werk
in de klas wel zitten om leerlingen de opdracht te geven hun vader,
moeder, broer of zus voor een weekje te observeren, en op te schrijven
wat zij denken dat verband kan houden met deze problematiek.
Na een weekje zou ik een
terugkommoment inlassen om vervolgens een soort van carrouseldiscussie
te houden om zo uiteindelijk tot een klassikaal besluit te komen dat te
vergelijken is met wat Jos Vandeloo schrijft in zijn boek.
Als afsluiter zou ik de
leerlingen een soort van slogan of leuze laten maken zodat zowel de
leerlingen als hun ouders aan dit probleem kunnen herinnerd worden.
|