| |
Vietnam

In de tweede helft van de 19e eeuw had Frankrijk zich
meester gemaakt van Indo-China (Vietnam, Laos en Cambodja). Frankrijk
kon zich daar tot de tweede wereldoorlog zonder al te veel moeite
handhaven. In de oorlog werd Indo-China bezet door de Japanners (met wie
de koloniale bestuurders samenwerkten).
Nationalistische groeperingen in Vietnam bundelden hun krachten in de
Vietminh, een organisatie die overwegend communistisch was en anti-Frans
en anti-Japans.
In 1945 verklaarde Ho Chi Minh Vietnam onafhankelijk. De Fransen
erkenden de republiek min of meer, maar wilden de rest van Indo-China
vasthouden. Ze stuurden troepen, die al snel slaags raakten met de
soldaten van de Vietminh. De oorlog die toen uitbrak was niet alleen een
-gebruikelijke - dekolonisatie oorlog. De tegenstander, de Vietminh, was
immers een communistische organisatie en moest alleen daarom al
uitgeschakeld worden.
De inheemse oproer kreeg een brede steun van het volk, want het doel was
namelijk:
- nationale onafhankelijkheid
- de vereniging van een door kolonisten verdeeld land
Tijdens de bevrijdings oorlog stond de Vietnamese republiek voor grote
economische problemen. De aanwezigheid van het Franse koloniale leger
vormde een constante dreiging. Ook werd de oogst vaak vernietigd door de
Franse luchtmacht. Ondanks de moeilijkheden beseften de Vietnamezen dat
de regering eerlijk bezig was de levensomstandigheden van de bevolking
te verbeteren. Dat het volk in overweldigende meerderheid de regering
bleef steunen was het gevolg van het feit dat Ho Chi Minh erin slaagde
bij het volk vertrouwen te wekken.
- Amerika komt de Fransen te
hulp
Het communistische bewind vestigde zich in 1949 in
China. In Amerikaanse ogen nam het gevaar dat het communisme voor de
Amerikaanse politieke, strategische en economische belangen in Azië
opleverde een zo dreigende vorm aan, dat de VS nu direct de
verantwoordelijkheid voor zuidoost Azië op zich namen.
Azië was namelijk zeer interessant voor Amerika i.v.m.:
- grondstoffen
- de doorvaart van schepen
- olie (er zou een enorm olieveld onder de zee liggen)
Tegen 1950 wisten de Fransen dat zij in moeilijkheden
waren. Frankrijk vroeg militaire hulp aan Amerika. Amerika wilde wel te
hulp komen omdat er in Indo-China geen koloniale oorlog woedde, maar een
strijd van het vrije westen tegen de communistische dictatuur.
De Amerikaanse minister van buitenlandse zaken maakte bekend dat Amerika
economische en militaire uitrustingen zou sturen naar de Fransen in
Indo-China. Dit om hen behulpzaam te zijn bij het herstellen van de orde
en om een vreedzame en democratische ontwikkeling te bevorderen.
President Truman maakte op 27 juni 1950 de zending van een militaire
missie bekent. Deze missie was bedoeld om nauw samen te kunnen werken
met de Franse strijdkrachten. In augustus 1950 werd een 35 man sterke
hulpgroep naar Indo-China gezonden als adviseurs bij het gebruik van
Amerikaanse wapens.
De Fransen hadden een achterstand op de Vietnamezen,
want de Vietnamezen vochten in eigen land, op bekend terrein en ze
hadden de steun van de bevolking. Ook was het doel van de Vietnamezen
duidelijk namelijk: nationale onafhankelijkheid tegen koloniale
overheersing. Terwijl de Franse doelstellingen, formeel althans, van het
ene na het andere vage plan varieerden, namelijk: ’autonome staat binnen
de Franse Unie’, ‘geassocieerde staat van de Indochinese federatie’.
Van juni 1950 tot mei 1954 verschaften de VS voor $2,6
miljard aan militaire en economische steun aan de Fransen in Vietnamdilt
is niet minder dan 80% van de totale kosten van de Franse
oorlogsinspanningen.
Ondanks de massale steun van Amerika werd de militaire positie van
Frankrijk tegenover de Vietminh gaande weg zwakker. Frankrijk had geen
steun van de grote massa van het Vietnamese volk en de onwil van de
Fransen om te vechten nam steeds meer toe. In Franse politieke kringen
kreeg men opeens in de gaten dat Frankrijk aan het eind van de oorlog
die het al zeven jaar voerde, ongetwijfeld Vietnam zou kwijtraken aan de
Verenigde Staten. Alle opofferingen die men zich had getroost, zouden
dan te vergeefs zijn geweest. Zo kwam men algemeen tot de overtuiging
dat er zo snel mogelijk een eind gemaakt moeten worden aan dit
rampzalige en bloedige conflict.
In 1953 behaalden de Fransen een aantal succesjes (Lang Son en de
aanvalsbasis van de 30e divisie werdeb veroverd). Na deze successen werd
eind juli een soort Frans-Amerikaans verdrag gesloten: Frankrijk en
Amerika zouden samen tegen de communisten vechten tot de overwinning was
behaald.
- De strateeg van de volksoorlog
Vo Nguyen Giap, Noordvietnamees generaal
In Vo Nguyen Giap bezaten de Vietnamezen een militaire
leider van uitzonderlijke kwaliteit. De belangrijkste factor, die het de
Vietnamese nationale staat mogelijk maakte het uit te houden en alle
militaire en politieke aanslagen op zijn bestaan te overleven, was de
bekwaamheid en de doeltreffendheid waarmee Ho Chi Minhs regering de
bevolking inspireerde tot een onverzettelijke wil om door te zetten.
Giap werd geboren in 1912 in de provincie Quang Binh.
Hij studeerde aan de universiteit van Hanoi. Hier werd hij beïnvloed
door de geschriften van Ho Tsji Minh (toen nog Nguyen Ai Quoc geheten).
In de jaren dertig sloot hij zich aan bij de Indochinese communistische
partij. Giap was toen leraar geschiedenis.
In 1940 vluchtte hij naar Zuid-China waar hij Ho en Pham Van Dong (de
latere premier van Noord-Vietnam) ontmoette. Zij besloten het verzet in
Tonkin te organiseren en Giap nam deze taak op zich.
In 1941 waren de eerste guerrilla groepjes actief. In de loop van de
jaren werden deze groepjes zeer losjes samengebundeld tot een
strijdmacht die het bergachtige noord-oosten van Tonkin ging beheersen
en die op 22 december 1944 formeel Vietnamees Bevrijdingsleger ging
heten.
Na het uitroepen van de onafhankelijkheid in augustus 1945 wijdde Giap
zich met koortsachtige energie aan de verdere opbouw van de gewapende
macht, omdat hij de onderhandelingspolitiek van de Fransen doorzag als
een manoeuvre om tijd te winnen en intussen hun militaire machinerie in
gereedheid te brengen om de Vietnamese nationale staat moest te
verpletteren.
In april 1946 was Giap getuige geweest van de ontscheping van Leclercs
expeditieleger, dat Ho bij verdrag van 6 maart 1946 had toegestaan
tijdelijk bepaalde steden van Tonkin te bezetten. Hij voelde zich weinig
op zijn gemak toen hij zag dat de enorme hoeveelheden oorlogstuig die de
Fransen aansleepten, de behoeften verre te boven gingen van een
tijdelijke en vreedzame bezetting.
Terwijl Pham Van Dong in Frankrijk onderhandelde, begon Giap
voorbereidingen te treffen voor een verdediging, ervan uitgaande dat de
oorlog lang kon duren. In de bergstreken van Tonkin werden verzetsbases
gevestigd, waarop de regering, het leger en wat er aan industrie was
zich zouden gaan terug trekken in geval van een Franse aanval.
Grote aandacht bestedde Giap aan politieke instructie, niet omdat hij
communist was met een voorkeur voor ideologische indoctrinatie, maar
omdat hij er als nationalist van uitging dat de strijd primair
politiek zou worden beslist.
In Giaps gedachtengang voerde Vietnam een politieke strijd; in dit
opzicht ontleende hij veel aan de ervaringen van de Chinese communisten
en aan de politieke en strategische theorieën van Mao Tse-toeng.
Belangrijk was wat er gebeurde op politiek en bestuurlijk vlak op het
laagste niveau. Hier stond de gewonde dorpeling, de kleine boer
centraal.
Het ging om het volk en daarop concentreerde Giap al zijn aandacht, ook
toen de strijdmacht sterk genoeg was om het te laten aankomen op een
geregelde slag. Het Vietnamese leger was niet zomaar de gewapende arm
van een willekeurige regering die over de hoofden en op de ruggen van
het volk een oorlog voerde die dat volk in wezen koud liet. Er werd een
band gesmeed tussen het volk, de regering en de strijdkrachten, waardoor
de Vietnamese vrijheidsoorlog een volksoorlog werd waarin de gehele
natie betrokken was.
Dit uitgangspunt was de garantie om de strijd te kunnen winnen tegen een
materieel en technisch superieure vijand.
In november 1946 breidde de oorlog zich over het hele land uit. De
Fransen kregen geen vat op de bevolking en werden door de guerrilla
behoorlijk uitgeput.
In 1950 was de slag bij Cao Bang. De Fransen leden een gevoelige
nederlaag.
In de jaren hierna kreeg de oorlog een steeds grimmiger karakter. De
Fransen werden materieel en financieel gesteund door de Verenigde
Staten.
In 1954 werden de Fransen verslagen bij Dien Bien Phoe.
Toen in 1954 de wapenstilstand gesloten werd, beheersten de Vietnamezen
ongeveer driekwart van hun land, waaronder meer dan de helft van wat nu
Zuid-Vietnam heet.
Dien Bien Phoe was het hoogte punt van Giaps carrière als
opperbevelhebber van het Vietnamese leger. Zijn tactiek, die nooit was
onderwezen op de Franse militaire academie, St. Cyr, had gezegevierd.
Na de verdeling van Vietnam en het begin van de opstand in het Zuiden -
er was toen nog geen sprake van enige steun van Hanoi aan de gewapende
tegenstanders van de regering in Saigon- deed Giap uitspraken dat het
noorden het volk van het zuiden moest bijstaan, hetgeen de Amerikanen
aanvoerden als een van de vele bewijzen van Noord-Vietnamse slechte
bedoelingen.
Giaps opmerkingen waren meer bedoeld als solidariteitsverklaringen dan
als een oproep tot ingrijpen.
Pas toen de burgeroorlog in het zuiden in volle hevigheid losbarstte en
in 1965 leidden tot achtereenvolgende interventies van de Verenigde
Staten en Noord-Vietnam, werd Giap weer direct betrokken bij de oorlog.
Al werd het Zuidvietnamese Bevrijdingsleger beïnvloed door Giaps
inzichten, Giap zelf gaf geen directe leiding aan de strijd in het
zuiden. Zijn hoofdtaak lag in het Noord-Vietnam, waar hij het leger en
het volk organiseerde voor de verdediging tegen de Amerikaanse
luchtmacht en het voorbereidde op een mogelijke invasie.
Giap is voorgesteld als de man die de Japanners in Tonkin in het nauw
dreef, het Franse kolonialisme in Indo-China de nekslag gaf en met
succes de Verenigde Staten weerstond.
Dat is waar, maar het is niet alles. Ontegenzeglijk is hij een briljant
strateeg, maar in Vietnams langdurige oorlog met het Westen ligt het
kernpunt niet bij de veldheer, maar bij het volk.
Giap trok met zijn strijdkrachten in ‘53 naar het
hoogland in het noordwesten, alsof ze van plan waren Laos aan te vallen.
Frankrijk wilde dat voorkomen en besloot haar verdediging te
concentreren op de basis Dien Bien Phoe. Giap bracht bijna zijn hele
strijdmacht in het veld tegen Dien Bien Phoe. De generale staf van de
Vietminh had besloten alles op alles te zetten om te verhinderen dat de
Fransen het noordwesten weer in bezit namen en om aan het front de
overwinning te behalen. De slag bij Dien Bien Phoe zou de felste slag
van de hele oorlog worden.
Divisies van de Vietminh vielen gedurende drie maanden op verschillende
plaatsen in Vietnam aan. De bedoeling was om het Franse leger uiteen te
rafelen. Op 13 maart 1954 gaf Giap het bevel tot de aanval op Dien Bien
Phoe.
De snelle verslechtering van de militaire en politieke situatie in heel
Indo-China dwong de Fransen van nu af aan vóór alles naar een eervolle
beëindiging van de vijandelijkheden te streven.
De Fransen lagen voortdurend zwaar onder vuur en hadden hun voornaamste
bastions verloren. Ze konden niet meer rekenen op enige hulp van buiten.
Het garnizoen in Dien Bien Phoe was gedoemd het onderspit te delven. Op
7 mei capituleerde het Franse leger. Onder druk van Washington verleende
Frankrijk op 4 juni 1954 de Staat Vietnam onafhankelijkheid.
- De invloed van de strijd in
Korea
Amerika zag China, Korea en Indo-China als drie
aspecten van een en hetzelfde patroon: het streven naar
wereldoverheersing van de Sowjetunie.
In juni 1950 viel Noord-Korea, een satellietstaat van de Sowjetunie,
onverhoeds Zuid-Korea aan. Zuid-Korea was een politieke vriend van de
Verenigde Staten. Waarschijnlijk ging het hier slechts om een
machtsstrijd tussen lokale potentaatjes, maar het Westen zag de
Noordkoreaanse aanval als de eerste zet in Stalins meesterplan voor een
geleidelijke verovering van de hele wereld.
De Amerikanen besloten vrijwel onmiddellijk tot een massale interventie;
in deze politieke omstandigheden kwam een verdrievoudiging van de
defensiebegroting moeiteloos door het Congres.
Het besluit Zuid-Korea te verdedigen betekende dat de Verenigde Staten
nu gekozen hadden voor een wereldwijde containment van het communisme.
Vijf jaar na de tweede wereldoorlog stelden de Amerikanen hun eigen
veiligheid gelijk met de veiligheid van de gehele wereld buiten het
communistische blok. Elk land dat communistisch werd, zou volgens
Amerika, de strategische positie van het Westen verzwakken.
Over de spoedige nederlaag van Frankrijk bestond in de
lente van 1954 geen twijfel meer. De Amerikaanse regering was daar zeer
ongelukkig over want het communisme zou een stap vooruit doen. Over de
vraag wat er aan deze situatie gedaan moest worden, bestond in de
Amerikaanse regering onenigheid.
De Franse nederlaag bij Dien Bien Phoe stelde de regering van Eisenhower
voor een moeilijke en pijnlijke beslissing: moesten de Verenigde Staten
de plaats van Frankrijk in de oorlog tegen Indo-China overnemen.
Een argument voor interventie in Vietnam was de ‘domino-theorie’. Dit
hield in dat het verlies van Indo-China onvermijdelijk het verlies van
het overige Zuidoost-Azië aan het communisme zou veroorzaken. De landen
van Zuidoost-Azië werden vergeleken met overeind staande dominostenen,
die allemaal zouden omvallen door de val van de eerste steen,
Indo-China.
Dit vooruitzicht was zo verontrustend dat vooraanstaande personen in de
regering van Eisenhower (vice-president Nixon, de minister van
buitenlandse zaken Dulles en admiraal Radford) Amerikaanse interventie
in Vietnam bepleitten om dat te voorkomen.
De leiders van Huis en Senaat, die over de situatie geraadpleegd werden,
voelden niets voor Amerikaans optreden.
Dulles en de luchtmachtgeneraaals wilden ingrijpen, de landmacht was
tegen interventie en Eisenhower aarzelde.
Eisenhower maakte tenslotte het Amerikaanse militaire ingrijpen
afhankelijk van Engelse steun. Omdat de Engelsen daar natuurlijk niets
voor voelden, leden de Fransen de verwachte nederlaag en werd de
Amerikaanse interventie nog tien jaar uitgesteld.
In juli 1954 sloot de Franse regering in Genève een
wapenstilstand met de opstandelingen. Er werd afgesproken dat Vietnam
voorlopig in tweeën zou worden gedeeld en dat Laos en Cambodja
onafhankelijk zouden worden. Na twee jaar moesten verkiezingen gehouden
worden en zouden de twee helften weer samengevoegd worden. Ook zouden in
Indo-China geen buitenlandse troepen worden gelegerd.
De Amerikanen waren geen partij bij deze Geneefse akkoorden maar
verklaarden wel de akkoorden te zullen respecteren. De Amerikanen hebben
zich niet aan die verklaring gehouden.
Het begin van de periode, die aanbrak met de ondertekening van de
akkoorden van Genève, bracht in Vietnam de geleidelijke overgang van een
bestuur onder Franse protectie naar een bestuur onder Amerikaanse
invloed.
Zuid-Vietnam, zo besloot Amerika, mocht niet verloren gaan en werd een
onderdeel van de containment (indamming) van het communisme in Azië. De
Zuid-Vietnamese regering kreeg Amerikaanse militaire adviseurs en
aanzienlijke financiële assistentie. Van de verkiezingen werd al snel
afgezien omdat iedereen begreep dat de communisten die zouden winnen. Om
verdere afbrokkeling van posities in Azië te voorkomen, bracht Dulles in
september 1954 een soort Aziatische NAVO tot stand, de South East Asian
Treaty Organisation (SEATO). Daarvan waren, behalve de Verenigde Staten,
Engeland, Australië, Nieuw Zeeland, Frankrijk, Thailand, Pakistan en de
Filipijnen lid. De partijen beloofden Laos, Cambodja en Zuid-Vietnam te
beschermen.
Toen militaire interventie van de kant van de Verenigde Staten eenmaal
onmogelijk was gebleken, verbond Dulles er zoveel voorwaarden aan dat
hij er zeker van kon zijn dat hij nooit meer het gevaar zou lopen dat
het ooit zover zou komen. Hij stelde niet minder dan vijf voorwaarden
als noodzakelijke rechtvaardiging van interventie:
1. Een verzoek van de Fransen.
2. Een duidelijke verzekering van de volledige onafhankelijkheid van
Laos, Cambodja en Vietnam.
3. Duidelijke bemoeienis door de Verenigde Naties.
4. Een gezamenlijke inspanning van de kant van de andere staten in het
gebied.
5. De verzekering dat Frankrijk zich niet uit de strijd zou terugtrekken
voor die gewonnen was.
Gerekend naar de omstandigheden van 1954 was het niet waarschijnlijk dat
er volledig aan één van deze afspraken zou worden voldaan, als dat wel
zo was geweest had Dulles er waarschijnlijk nog wel een paar aan toe
gevoegd.
De aanhangers van de domino-theorie waren in 1954 niet bereid om hun
eigen theorie door te denken en zich er aan te houden. Als het waar was
wat president Eisenhower beweerde, nl. dat het verlies van Indo-China
door de Fransen de val van Zuidoost Azië zou betekenen, dan stond er
zoveel op het spel dat de voorstanders van deze theorie wel genoodzaakt
waren om de grootste risico’s te nemen, zonder de onmogelijke
voorwaarden, die Dulles er aan verbond. Niet alleen schrok Eisenhower
terug voor de implicaties van zijn eigen theorie, maar ook maakten de
onmiddellijke gevolgen van de Franse nederlaag zijn bittere voorspelling
niet waar.
De katholieke dictator Ngo Dinh Diem kwam in 1954 aan
de macht in zuid-Vietnam. Diem had een diep wantrouwen tegen de Vietminh
en was fel anti-communistisch. Daardoor werd hij door de Verenigde
Staten beschouwd als een onafhankelijk nationalistisch alternatief
tegenover de radicale Vietminh in het noorden. Hij werd het
belangrijkste instrument van de Amerikaanse politiek in Vietnam.
Van 1954 tot 1959 waren de Vietnamese communisten (de
Vietcong) tamelijk rustig. Diem was hard op weg een politiestaat te
creëren, waarin iedere mogelijke rivaal en ieder die kritiek uitoefende
zonder onderscheid tot zwijgen werd gebracht, verbannen, gevangen gezet
of ter dood werd gebracht.
De communisten gingen in 1960 over tot een georganiseerde guerillastrijd.
Ze waren er op uit om het zuiden te ‘bevrijden’. Het Nationaal
Bevrijdingsfront van Zuid-Vietnam werd opgericht.
Aanvankelijk had het er in de jaren vijftig naar uit
gezien dat Diem erin zo slagen, met aanzienlijke Amerikaanse hulp, van
Zuid-Vietnam een functionerende, zelfstandige natie te maken. Maar in de
loop van 1961 kon niet langer verborgen blijven dat het Zuidvietnamese
regime in grote moeilijkheden was. Nauwelijks was J.F. Kennedy als
president beëdigd of het gerucht ging dat het regime van Diem op het
punt stond in één te storten. Het probleem van Kennedy was: "Wat moesten
de Verenigde Staten doen om een volledige ineenstorting in Vietnam te
voorkomen".
Kennedy stuurde in 1961 zijn adviseurs Taylor en Rostow naar Saigon om
de situatie te bekijken. Rostow wilde Noord-Vietnam bombarderen. Hij
dacht dat de Noordvietnamezen, als er flinke schade werd aangericht,
zich wel tweemaal zouden bedenken voor ze hun guerrilla’s weer op
oorlogspad stuurden. Taylor wilde Amerikaanse troepen inzetten om het
moreel van de Zuidvietnamezen te sterken en het Amerikaanse engagement
duidelijk te maken. Kennedy wilde liever wat voorzichtiger beginnen en
vergrootte in de daaropvolgende twee jaar het aantal Amerikaanse
militaire adviseurs van 600 naar 15000.
Veel positieve effecten had die uitbreiding niet. Het Zuidviernamese
leger bracht er in de confrontaties met de Vietcong niet veel van
terecht. Dat was voor de militaire adviseurs aanleiding om al in 1962 om
uitbreiding van hun militaire mogelijkheden te vragen. De Vietcong zou
effectiever bestreden kunnen worden als het door hen geadviseerde
Zuidvietnamese leger de beschikking kreeg over napalm,
ontbladeringsmiddelen en straaljagers. De effecten waren opnieuw
teleurstellend.
Zolang de bevolking ontevreden bleef hadden de
guerrilla’s een politieke voedingsbodem. Diem was niet tot politieke en
sociaal economische hervormingen te brengen. Diem ging ervan uit dat de
Amerikanen het moeilijk zonder hem komden stellen. Daar had hij tot op
zekere hoogte wel gelijk in. Hij was immers door de Amerikanen zelf
jaren lang afgeschilderd als de Aziatische Churchill en de enige
mogelijke redder van zijn vaderland. In de loop van 1963 verslechterde
de situatie in Zuid-Vietnam zo snel dat de Amerikanen besloten dat Diem
maar moest verdwijnen. In het verleden hadden de Amerikanen
complotterende generaals onveranderlijk tegengehouden, nu gaven ze een
nieuw groepje samenzweerders het groene licht. Op 1 november werd Diem
afgezet en samen met zijn broer vermoord. Een militaire junta nam de
macht over. En ook nu kwam er niets van de hervormingen terecht.
In 1964 verslechterde de toestand in Zuid-Vietnam
zienderogen. De militaire junta bracht er namelijk nog minder van
terecht dan Diem. Johnson, die Kennedy opvolgde na zijn dood, kon daar
even niets aan doen omdat de verkiezingen voor de deur stonden en hij
naar buiten trad als vredeskanidaat. Zodat hem niet te veel
vredelievendheid verweten kon worden en om op alle eventualiteiten te
zijn voorbereid zorgde Johnson er in augustus 1964 voor dat het Congres
hem ten behoeve van de interventie in Vietnam een blanco cheque
verleende.
Op 3 augustus werden twee Amerikaanse torpedobootjagers in de golf van
Tonkin aangevallen door Noordvietnameze torpedoboten. Johnson vroeg om
de volmacht om alles te doen om herhaling te voorkomen. De president
kreeg het recht verdere agressie te verhinderen en werd gemachtigd alles
te doen wat noodzakelijk was om naties die in het SEATO-verdrag genoemd
waren te beschermen. Als vergelding voor de aanval liet Johnson
vervolgens de havens bombarderen van waaruit de Noordvietnamese
torpedoboten opereerden.
Toen Johnson in 1964 zijn verkiezingsoverwinning
behaalde kon hij aan de Amerikaanse aanwezigheid in Vietnam een einde
maken. Dit is nooit gebeurt omdat de betrokkenen van mening waren dat
Zuid-Vietnam niet verloren mocht gaan. In de eerste plaats niet vanwege
het domino-effect dat een communistische overwinning in Zuid-Vietnam zou
hebben en in de tweede plaats omdat Zuid-Vietnam van vitaal belang was
om een natie (in dit geval de Verenigde Staten) te helpen de communisten
tegen te houden in een vrijheidsoorlog. In januari 1965 waren Johnson en
zijn adviseurs op zoek naar een goede aanleiding om de al zo lang
bestaande plannen voor de bombardementen ten uitvoer te brengen. Begin
februari deed de Vietcong een mortieraanval op een kampement van
Amerikaanse militaire adviseurs. President Johnson gaf meteen het bevel
voor en vergeldingsbombardement. Een paar dagen later werd een tweede
Amerikaanse basis aangevallen en een tweede vergeldingsbombardement
uitgevoerd. Nu was het nog maar een kleine stap naar Johnsons besluit
van 13 februari om Noord-Vietnam permanent te gaan bombarderen.
De interne troebelingen in de Zuidvietnamese politiek
hadden de Amerikanen er al voor 1964 toe verleid de oorzaak daarvan niet
in Zuid-Vietnam zelf te zoeken, maar in de steun die de guerrilla in het
Zuiden van de zijde van Noord-Vietnam ontving. En met het toenemen van
de onrust in het Zuiden groeide de Amerikaanse geneigdheid, met name
tegenover de publieke opinie in eigen land, Hanoi af te schilderen als
de grote boosdoener en het werkelijke brein achter de strijd in
Zuid-Vietnam. Washington legde er nu meer de nadruk op dat de guerrilla
van buiten af werd geleid en gevoed met mankracht en materieel. De
voorzitter van de politieke planninggroep van het Amerikaanse ministerie
van buitenlandse zaken Rostow meende de weg naar de overwinning te
kunnen blokkeren door de guerrilla materieel en moreel af te snijden van
haar hulpbronnen. Er werd voorbijgegaan aan de mogelijkheid dat die
hulpbronnen zich wel eens in Zuid-Vietnam zelf, in de geest van verzet
van de boerenbevolking tegen het regime in Saigon, zouden kunnen
bevinden. Rostow concludeerde dat de Amerikaanse inspanning zich meer op
Noord-Vietnam zou moeten richten.
De situatie lag echter niet zo eenvoudig als Rostow haar voorstelde.
Weliswaar was Noord-Vietnam zich sinds de oprichting van het Nationale
Bevrijdingsfront actief gaan bezighouden met de guerrilla in het Zuiden,
maar de omvang van de Noordvietnamese steun werd door Washington
schromelijk overschat. De arsenalen van het bevrijdingsfront bevatten
aanvankelijk grotendeels nogal primitieve zelfgefabriceerde en op de
tegenstanders buitgemaakte wapens.
- Heimelijke Amerikaanse acties
De heimelijke oorlogvoering van Washington tegen Hanoi
omvatte het eerste halfjaar van 1964 verscheidene soorten acties:
verkenningsvluchten door U-2 toestellen, aanvankelijk op grote hoogte,
maar vanaf mei veel lager; patrouilles van torpedobootjagers van de
Amerikaanse Zevende Vloot in de Golf van Tonkin voor de Noordvietnamese
kust, die behalve als vlagvertoon eveneens bedoeld waren om informatie
te verzamelen over de Noordvietnamese kustverdediging. Verder
sabotage-acties door commandotroepen in het Noorden, gericht tegen
strategische doelen als bruggen, opslagplaatsen enzovoort;
bombardementen op stellingen van de door Hanoi gesteunde Pathet Lao in
Laos en op troepenbewegingen langs de zogenoemde Ho-Tsji-Minh-route in
het oosten van dat land. De bombardementen werden uitgevoerd door
vliegtuigen met Laotische kentekenen, die waren bemand door Thailandse
piloten en vliegers van Air Amerika, een mantelorganisatie van de CIA.
Zowel de Amerikaanse inlichtingendienst als de militaire top achtten
echter de kans gering dat Hanoi zich door dit soort prikacties zou laten
afschrikken van de ondersteuning van de guerrilla. Het Witte Huis en het
Pentagon waren dan ook tegelijkertijd bezig minutieuze plannen op te
stellen voor zwaardere militaire operaties die Hanoi wel op de knieën
zouden kunnen dwingen.
Het Amerikaanse publiek werd intussen onkundig gehouden van de omvang
die de acties tegen Hanoi hadden aangenomen. Minister van defensie
Robert MacNamara had in maart 1964 weliswaar toegegeven dat de
mogelijkheid van militaire acties tegen Noord-Vietnam zorgvuldig werd
bestudeerd, maar dat de VS een programma van voortdurend in hevigheid
toenemende clandestiene provocaties aan het afwerken waren, geloofden op
dat moment slechts zeer weinigen in Washington.
- Het opvoeren van de
vijandelijkheden
Naast deze militaire ‘vingeroefeningen’ voor het
oorlogsspel tegen Noord-Vietnam werkte de regering-Johnson aan de
voorbereiding van de oorlog op het intern-politiek vlak. Al in mei 1964
werd de tekst opgesteld van een resolutie die na het publiekelijk openen
van de vijandelijkheden tegen Hanoi door het Amerikaanse Congres moest
worden aangenomen en die de regering wilde beschouwen als gelijkwaardig
een oorlogsverklaring.
Niets werd aan het toeval overgelaten: aan de hand van alle, via lucht-
en zeeverkenning verzamelde informatie werd een nauwkeurige lijst van
Noordvietnamese militaire en industriële doelen opgesteld, maar ook lag
een operatieplan klaar waarin de mogelijke Noordvietnamese en zelfs
Chinese reacties waren geïnventariseerd, plus de mogelijke Amerikaanse
antwoorden daar weer op.
Op aandrang van de ambassadeur in Saigon werd in het scenario nog één
uitwijkmogelijkheid opgenomen: de missie in juni naar Hanoi van een
Canadese diplomaat die de Noordvietnamezen een soort ultimatum moest
doen: staakt de acties in het Zuiden, zet de steun aan de guerrilla
stop, anders worden de Amerikaanse acties tegen Noord-Vietnam
voortgezet. Hanoi reageerde hier niet op.
In juli nam het aantal provocerende acties toe. Zuidvietnamese kranten
meldden succesvolle sabotagedaden tegen militaire en strategische doelen
in Noord-Vietnam. Op 1 en 2 augustus 1964 bombardeerden Thailandse
piloten van Air Amerika Noorvietnamese dorpen vlak bij de grens van
Laos.
Op 30 juli 1964 deden Zuidvietnamese commando’s, die
onder bevel stonden van de Amerikaanse bevelhebber lt. W. Westmoreland,
een amfibieaanval op de twee Noordvietnamese eilanden Hon Me en Hon Nieu
in de Golf van Tonkin bij de monding van de Rode Rivier. De Amerikaanse
torpedobootjager ‘Maddox’, die op dat moment voor de Noordvietnamese
kust patrouilleerde, koerste (waarschijnlijk niet op de hoogte van deze
sabotage-actie) in de richting van de eilanden en werd op 2 augustus
aangevallen door drie Noordvietnamese torpedoboten die het zeegebied
afzochten naar de aanvallers. De ‘Maddox" liep geen schade op, maar
twee van de Noordvietnamese schepen werden beschadigd door Amerikaanse
vliegtuigen die te hulp waren gekomen en het derde werd door een
voltreffer van de ‘Maddox’ tot zinken gebracht.
Volgens de Amerikaanse lezing bevond de ‘Maddox’ zich op dat moment 23
mijl uit de Noordvietnamese kust en had het schip pogingen gedaan de
Noordvietnamezen te ontwijken. Volgens een andere lezing waren de
Noordvietnamezen niet eerder tot de aanval overgegaan dan nadat de
‘Maddox’ hun een aantal schoten voor de boeg had gegeven.
De dag daarop beval president Johnson de vloot in dit gebied te
versterken. De ‘Maddox’ moest samen met een andere torpedobootjager
terugkeren naar de Noordvietnamese kust, dit keer tot op een afstand van
11 mijl, een mijl binnen de door Noord-Vietnam aangehouden, maar door de
VS niet erkende 12-mijlszone. In de nacht van die zelfde dag hadden
nieuwe aanvallen plaats van Zuidvietnamese motortorpedoboten op
militaire doelen langs de Noordvietnamese kust.
Op de avond van de vierde augustus openden Noordvietnamese torpedoboten
het vuur op de twee Amerikaanse oorlogsboten (volgens Noord-Vietnam
heeft deze aanval nooit plaatsgehad en waren er op dat moment helemaal
geen Noordvietnamese schepen in de buurt). In Washington werden
onmiddellijk de voorbereidingen voor het antwoord getroffen: doelen
werden geselecteerd en troepen en luchtmachteenheden in paraatheid
gebracht. Nog geen negen uur later waren er vliegtuigen in de lucht om
een reeks vergeldingsaanvallen uit te voeren die bijna de hele
Noordvietnamese vloot vernietigde.
Johnson stelde het Amerikaanse volk in kennis van de aanvallen op
Noord-Vietnam. Maar bij die gelegenheid werd net zomin als de dagen
daarop bij de behandeling in het Congres van de resolutie (later
Tonkin-resolutie genoemd) die Johnson machtigde alle maatregelen te
nemen die hij noodzakelijk achtte, melding gemaakt van de maandenlange
clandestiene acties tegen Noord-Vietnam, die veel provocerender waren
geweest dan de beschietingen in de Golf van Tonkin.
Met de Tonkin-resolutie had de Amerikaanse regering een instrument in
handen gekregen waarmee het uitgebreide actieprogramma openlijk
uitgevoerd kon worden. Althans, dat meende zij. Een aantal congresleden
weigerde de resolutie echter te beschouwen als een blanco-volmacht aan
de president om een regelrechte - zij het niet-verklaarde - oorlog in
Azië te gaan voeren.
- De inzet van Amerikaanse
troepen
De bombardementen waren nauwelijks begonnen of de
Amerikaanse bevelhebber Westmoreland in Zuid-Vietnam vroeg om twee
bataljons mariniers om de grote Amerikaanse luchtmachtbasis te
beschermen. Zijn verzoek werd ingewilligd en daarmee stond de deur op
een kier voor de volgende fase van de escalatie.
De gang van uitbreiding ging als volgt: Westmoreland rapporteerde dat de
pacificatie van Zuid-Vietnam goede vorderingen maakte, maar dat de echte
beslissing pas mogelijk was als hij nog meer troepen kreeg. Zijn verzoek
om meer manschappen werd dan snel ingewilligd. In april werden er nog
een 20.000 manschappen gestuurd en werd de taak van de mariniers
veranderd. Zij mochten nu ook offensief gaan optreden. Toen eenmaal
besloten was tot directe inzet van Amerikaanse troepen was het hek van
de dam. De troepenmacht werd voortdurend vergroot. In januari 1968 waren
er een half miljoen Amerikaanse soldaten in Vietnam.
Generaal Westmoreland voerde van 1964 tot 1968 het bevel over de
troepen. Zonder moeite kreeg hij de versterkingen die hij vroeg aan het
Pentagon. Het aantal manschappen in Vietnam steeg van 23.000 in 1964 tot
184.000 in 1965. In 1968 waren het er een half miljoen .
Er waren geen vaste frontlijnen noch gevechten tussen grote eenheden .
De infanterie had niet de opdracht gekregen het noorden te bezetten. Het
kwam erop aan om het gezag van Saigon op het platteland te vestigen of
te herstellen, de ‘Vietcong’ te beletten om de ‘bevrijde’ dorpen te
heroveren. Westmoreland voerde een uitputtingsoorlog. Het doel was
zoveel mogelijk tegenstanders te doden. In Washington verlangde men
resultaten en om die te meten ging er niets boven statistieken. De
gevechtseenheden waren verplicht bij te houden hoeveel verliezen zij de
vijand hadden toegebracht. De doden werden vaak dubbel geteld om goede
resultaten te boeken. Veel Amerikanen sneuvelden door eigen landmijnen.
De legerstaf bleef verkondigen dat de overwinning spoedig een feit zou
zijn. Eind 1967 legde Westmoreland een uiterst gerustellende verklaring
af: " Tijdens mijn vier jaren in Vietnam, ben ik nog nooit zo
optimistisch geweest", zei hij. Een maand later begon het Tet-offensief.
Eind januari 1968 kwam het overtuigende bewijs dat het
zelfvertrouwen van de Amerikaanse regering op niets gebaseerd was. In
januari sloegen Noordvietnamese troepen het beleg om de basis Khe Sanh
in het uiterste noorden van Zuid-Vietnam. Om de dreiging af te wenden
voerde het Amerikaanse opperbevel ijlings versterkingen aan, maar moest
daarvoor zijn posities in de rest van het land aanzienlijk verzwakken.
Op dat moment ontketende het Bevrijdingsfront in geheel Zuid-Vietnam een
algemeen offensief dat uiterst zorgvuldig was voorbereid maar dat
vervroegd startte toen op 29 januari 1968 de Amerikanen eenzijdig het
traditionele bestand ter gelegenheid van het Vietnamese nieuwjaar (Tet)
opzegden.
Tientallen steden en bases werden aangevallen; Hue, Saigon, Cholon
werden bezet. De Amerikanen en de Zuidvietnamezen verloren hun greep op
grote delen van het platteland en moesten ook een aantal
provinciehoofdsteden prijsgeven. In Saigon drong een zelfmoordcommando
van de Vietcong door tot in de bijgebouwen van de Amerikaanse ambassade
en beschoten vandaar het hoofdgebouw met bazooka’s. De Amerikanen
reageerden met onbeteugeld geweld; de luchtmacht voerde nietsontziende
bombardementen uit. Desondanks boden de in de steden doorgedrongen
troepen van het Bevrijdingsfront en Noordvietnamezen hardnekkig
tegenstand. Ze wisten zich twee weken lang te handhaven in Cholon en
meer dan drie in Hue, dat op 24 februari werd heroverd. Tijdens de
strijd om Cholon maakten de Amerikanen hele wijken met de grond gelijk
en ook Hue werd voor het grootste deel verwoest.
Voor iedereen was nu duidelijk dat de militaire pacificatie van
Zuid-Vietnam geen succes was geworden. Of de Vietcong gehoopt heeft door
middel van het Tet-offensief in één klap de burgeroorlog te beslissen is
niet bekend. Als dat het geval was, leed zij een bittere nederlaag. Een
nederlaag die binnen het grotere geheel van de Vietnamese oorlog een
spectaculaire overwinning was, omdat het Amerikaanse moreel er
defifnitief door gebroken werd.
Het Tet-offensief markeerde het keerpunt van de
oorlog. Hoewel men, uit het feit dat er geen algemene opstand was
uitgebroken, in het Westen de conclusie trok dat de Vietnamese aanval
was mislukt, was de Amerikaanse militaire strategie geheel in de war
gebracht en had de Amerikaanse zelfverzekerdheid een zware slag
gekregen. De slagen om Cholon en Hue toonden aan dat het
Bevrijdingsleger er met succes in geslaagd was verzetskernen in de
steden op te bouwen. Ook was duidelijk dat het offensief niet zonder de
voorkennis van en de stilzwijgende medewerking van de bevolking had
kunnen worden voorbereid.
In de eerste plaats psychologisch: bewezen was dat de verzetsbeweging
niets van haar aanvalskracht verloren had. Het prestige van het
Saigon-bewind en het geloof in de Amerikaanse onoverwinnelijkheid was
onherstelbare schade toegebracht: zowel het aantal toetredingen tot het
Bevrijdingsfront als het aantal deserties uit het Zuidvietnamese
regeringsleger nam aanzienlijk toe. In de tweede plaats boekte het
Bevrijdingsleger ook een belangrijke militaire overwinning, doordat de
Amerikanen en hun bondgenoten om de steden en de bases te beschermen,
een groot deel van het platteland dat zij nog beheersten, hadden moeten
prijsgeven.
Een keerpunt in de oorlog maar niet het einde: tenslotte konden de
Verenigde Staten het zich permitteren door te gaan.
- De gevolgen van het
Tet-offensief
Het Tet-offensief heeft een eind gemaakt aan de
Amerikaanse escalatie van de oorlog en heeft impliciet ook de politieke
doelstellingen beïnvloed. Washington werd gedwongen tot een herziening
van zijn strategie. Het was gebleken dat het optimisme van Westmoreland
overdreven was en dat de communisten niet op het punt stonden de strijd
op te geven. De generaal vroeg om een versterking van 200.000 man boven
de reeds toegezegde 525.000.
Dat was niet meer te realiseren zonder grote aantallen reservisten op te
roepen en belastingverhoging door te voeren: (de kosten van de
Vietnam-oorlog zouden 35 miljard dollar per jaar gaan bedragen op een
oorlogsbegroting van 90 miljard.) Johnson was bereid om 35.000 tot
50.000 soldaten extra te sturen om een politieke oplossing mogelijk te
maken. Dat was niet genoeg om een militaire oplossing te forceren.
Bijzonder verontrustend voor de Amerikaanse regering was dat de publieke
opinie omsloeg. Volgens peilingen van november 1967 bleef 45 % van de
ondervraagden zijn steun geven aan de oorlog in Vietnam. In februari
1968 was dat nog maar 26 %. In maart 1968 verklaarde 78 % van de
ondervraagden ervan overtuigd te zijn dat de Verenigde Staten in Vietnam
waren vastgelopen.
Op 31 maart 1968 kondigde Johnson op de televisie aan dat de
bombardementen op Noord-Vietnam beperkt werden tot ten zuiden van de
20ste breedtegraad en dat hij aan de onderhandelingstafel naar een
oplossing van het conflict zou streven. Deze mededeling was het gevolg
van het gebroken moreel van de Amerikaanse soldaten na de massale aanval
van de Vietcong, van het advies van de minister van defensie om naar
wegen te zoeken om aan deze martelgang een einde te maken en van het
verzoek van Westmoreland om nog eens 200.000 man. Verder maakte hij
bekend dat hij niet herkiesbaar was voor een tweede ambtstermijn.Vrijwel
iedereen die bij de besluitvorming rond de oorlog betrokken was,
afgezien van de kleine kring rond Johnson, had het vertrouwen in het
Vietnamese avontuur verloren.
President Johnson stopte de bombardementen op
Noord-Vietnam en hij stelde zich niet herkiesbaar, maar werd opgevolgd
door Nixon die de oorlog in Zuid-Vietnam voortzette met hetzelfde doel:
de vernietiging van het Bevrijdingsfront, maar met andere middelen
namelijk de ‘vietnamisering’. De Amerikaanse grondtroepen werden
geleidelijk teruggetrokken en vervangen door inderhaast opgeleide en
bewapende strijdkrachten van het Saigon-regime. Maar de luchtmacht bleef
en het was dit wapen waar sinds het begin van 1969 de grootste nadruk op
werd gelegd. De bombardementen waren er om het volk van Zuid-Vietnam
murw te maken en het Bevrijdingsfront tot overgave te dwingen. De
intensivering van de bombardementen en de uitbreiding van het
Zuidvietnamese leger voltooiden de vernietiging van de traditionele
Zuidvietnamese samenleving.
Nixon en Kissinger wisten echter met de Vietnamisering precies te
bereiken wat ze hadden willen bereiken. De toestand in Zuid-Vietnam
stabliseerde zich, zodat een overwinning van de Vietcong voorlopig van
de baan was.
Acht jaar lang (tot januari 1973) beheerste het
Amerikaanse luchtoffensief het dagelijkse, economische, sociale,
culturele en psychische bestaan van het Noordvietnamese volk.
Acht jaar van bijna ononderbroken bombardementen die dood en verderf
zaaiden in uitgebreide gebieden. In Noord- en Zuid-Vietnam zijn meer
bommen gegooid dan op Europa gedurende de Tweede Wereldoorlog. Volgens
betrouwbare berekeningen hebben de Amerikanen in de periode 1965 - 1968
voor zes miljard dollar uitgegeven om in Noord-Vietnam voor 600 miljoen
dollar schade aan te richten. Alle booby-traps van de Vietcong werden
met behulp van onontplofte bommen en granaten gefabriceerd.
In die acht jaar werden boven het land ongeveer vier miljoen ton bommen
afgeworpen.
Ten zuiden van de 21 breedtegraad werden alle steden en dorpen, alle
fabrieken en bruggen aangevallen en grotendeels verwoest. Hele steden,
zoals Vinh, Phuly en Tanh Hoa, werden van de kaart geveegd. Van Haiphong
en Namdinh resten alleen ruïnes.
Om de bevolking te beschermen werden een groot aantal ondergrondse
schuilplaatsen gebouwd. Deze varieerden van eenvoudige betonbuizen
voorzien van deksels (deze boden bescherming tegen bomscherven, niet
tegen voltreffers) tot goed geventileerde en diep uitgegraven grote
schuilkelders, waar de bevolking lange tijd achtereen kon verblijven,
werken, eten en rusten. Een uitgebreid stelsel van loopgraven en gangen
verbond niet alleen schuilkelders onderling, maar ook fabrieken, dorpen
en scholen die ondergronds waren in gericht, met elkaar. Hierdoor kon
het leven, zelfs tijdens langdurige aanvallen, tamelijk normaal
doorgaan. De bombardementen richten verschrikkelijke verwoestingen aan,
maar de wilskracht van het Noordvietnamese volk werd er niet door
gebroken. Behalve aan de kust (waar vliegtuigen van de schepen opstegen
en altijd verrassings aanvallen konden uitvoeren) werd de bevolking
steeds tijdig gewaarschuwd bij nadering van vijandige vliegtuigen. Het
verlies aan mensenlevens kon daardoor betrekkelijk laag gehouden worden,
gezien de hoeveelheid aanvallen en tonnen bommen.
Sinds 1961 gebruiken de Amerikanen ontbladeringsmiddelen zoals "Agent
Orange" en herbiciden om de vijand te beletten zich te verschuilen en om
de directe omgeving van de bases, de vliegvelden en de wegen beter te
kunnen bewaken. Een derde van de Vietnamese bossen is getroffen.
Hetzelfde geld voor het bouwland en de fauna. Hier was sprake van het
vernietigen van een ecologisch systeem, ‘ecocide’. Agent Orange bleek
achteraf kankerverwekkend te zijn.
Na 1967 ging de Amerikaanse luchtmacht op grote schaal over tot het
gebruik van fragmentatiebommen. Het doel was niet langer het vernietigen
van gebouwen, maar het doden, verwonden en verminken of demoraliseren
van mensen. De bevolking moest daartegen beschutting zoeken door zich
aan het oog van de vliegers te onttrekken (camouflage). Stro was een
veel gebruikt camouflage materiaal.
In februari 1971 gaven de Amerikanen uitgebreide luchtsteun toen het
Zuidvietnamese leger Laos binnentrok. Deze luchtsteun kon niet
verhinderen dat het Zuidvietnamese leger een zware nederlaag leed.
In april 1972 besloot Nixon de bombardementen op Noord-Vietnam te
hervatten als vergelding voor een Noordvienamees offensief in het
noorden van Zuid-Vietnam.
In december 1972 gaf Nixon opnieuw opdracht tot zware bombardementen om
de druk op de Noord-Vietnamese regering op te voeren zodat zij betere
garanties voor de voorlopige continuering van het bewind in Saigon, bij
een evt. Vrede, zouden geven. Eind december werden de bombardementen
boven de 20e breedtegraad gestopt omdat de Amerikanen zeer zware
verliezen leden.
Op 23 januari 1973 werd een wapenstilstandsovereenkomst getekend die
niet wezenlijk verschilde van de overeenkomst die eind oktober al was
bereikt.
De Amerikaanse interventie in Vietnam was ten einde. De bombardementen
op Cambodja gingen echter door. 15 Augustus 1973 staakten de Amerikanen,
na tussenkomst van het Congres, alle militaire acties in Zuid-Oost Azië.
Zuid-Vietnam bestond nog twee jaar. Op 30 april 1975 gaf het bewind in
Saigon zich over aan de communisten.
Richard Nixon en zijn intelligente,
publiciteitsbewuste adviseur in veiligheidszaken Henry Kissinger, hadden
bij hun aantreden in januari 1969 het voornemen de Amerikaanse
buitenlandse politiek te ontdoen van de tekortkomingen die tot de echec
in Vietnam hadden geleid.
Het nutteloze avontuur in Vietnam was voornamelijk het gevolg, meenden
Nixon en Kissinger, van het Amerikaanse onvermogen een onderscheid te
maken tussen wat wel en wat niet van wezenlijk belang was voor de
Amerikaanse veiligheid. Zij zagen heel scherp dat de Verenigde Staten
veel beter moest definiëren wat hun werkelijke veiligheidsbelangen
waren. De Amerikaanse buitenlandse politiek moest concreet en specifiek
zijn, niet globaal en ideologisch.
Van nu af volgenden de Verenigde Staten de ‘détentie-polititek’. Dit is
een nieuwe vorm van containment-politiek, waarbij een goede onderlinge
verstandhouding, op basis van intensieve diplomatieke contacten, de
plaats nam van de militaire afschrikking. In directe samenhang met de
détentie-politiek introduceerde Kissinger het begrip ‘linkage’, d.i.
Alles hangt met alles samen in de wereld.
Het enige wat volgens Kissinger van essentieel belang was voor de
veiligheid van de VS was het gedrag van de Sovjetunie. De
détentie-politiek was vooral gebaseerd op een betere verstandhouding met
de Sovjetunie.
De Sovjetunie was mede verantwoordelijk voor de wereldorde en moest er
voor zorgen dat de landen waarop zij invloed kon uitoefenen zich rustig
hielden.
Dat wilde natuurlijk niet zeggen dat de Amerikanen nu af konden zien van
de militaire afschrikking. Het betekende wel dat Kissinger en Nixon
konden besluiten om de Fata Morgana van Amerikaanse militaire
superioriteit te laten voor wat zij was.
Op basis van gelijkwaardigheid zijn onderhandelingen tussen de VS en de
Sovjetunie over wapenbeperking gestart. In 1972 resulteerde dit in het
SALT (Strategic Arms Limimtation Talks) verdrag dat in Moskou werd
ondertekend. De belangrijkste bepaling van het SALT-verdrag was, dat het
aantal intercontinentale raketten werd bevroren.
- Beperking van de interventie
in Vietnam
Nixon kwam verder in Moskou overeen, tijdens de
onderhandelingen over het SALT-verdrag, dat Amerikaanse interventie in
Vietnam beperkt en geleidelijk verminderd zou worden. Deze hadden een
merkbare invloed op het Amerikaanse defensiebudget. In 1970 gaven de
Amerikanen 8,2% van hun nationaal inkomen aan defensie uit, in 1977 was
dat nog maar 5,2%.
Twee dingen waren in het voorjaar van 1969 duidelijk: de Verenigde
Staten konden niet winnen in Vietnam en op niet al te lange termijn
zouden de Amerikaanse troepen teruggetrokken moeten worden, gezien de
buitenlandse oppositie. Toch wilde Nixon niet de indruk wekken dat de
Verenigde Staten verloren hadden. Om dat te bereiken moest hij ervoor
zorgen dat het Zuid-Vietnamese regime nog enige tijd op de been bleef,
het liefst nog enige jaren nadat de Amerikanen vertrokken waren. Het
allermooiste zou zijn als het regime als nog gered kon worden. Al deze
doelstellingen zouden gerealiseerd kunnen worden, dacht Nixon, door de
oorlog te Vietnamiseren. Terwijl de Amerikaanse troepen geleidelijk
werden teruggetrokken zou het Vietnamese leger enorm worden uitgebreid.
De militaire positie van de Zuidvietnamezen kon verder versterkt worden
door de Amerikaanse bombardementen aanzienlijk op te voeren. Nixon
bereikte met de Vietnamisering precies wat hij wilde. De toestand in
Zuid-Vietnam stabiliseerde zich, zodat een overwinning van de Vietcong
van de baan was. In juni 1969 konden de eerste Amerikaanse troepen
worden teruggetrokken.
Omdat de hele Vietnam politiek van Nixon erop gericht was de Amerikaanse
‘credibility’ hoog te houden, was het van het grootste belang dat de
Amerikanen geen weke, bange indruk zouden maken terwijl ze bezig waren
hun troepenmacht af te bouwen. Om die reden zorgde Nixon, binnen het
grotere patroon van de-escalatie, voor een aantal spectaculaire en
onverwachte gewelddadigheden, die duidelijk moesten maken hoe groot de
Amerikaanse wilskracht nog steeds was. Het begon in april 1970 met de
invasie van Cambodja. De bedoeling van deze operatie was het
hoofdkwartier van de Vietcong, dat zich volgens de Amerikanen in het
zuiden van Cambodja bevond, te vernietigen. Omdat de Vietcong helemaal
geen hoofdkwartier in Cambodja bleek te hebben, keerde de invasiemacht
na enige tijd onverrichterzake terug in Zuid-Vietnam.
In april 1972 besloot Nixon de zware bombardementen op Noord-Vietnam te
hervatten als straf voor een Noordvietnamees offensief in Zuid-Vietnam.
Vanaf het moment dat de Amerikaanse strijdkrachten in
1965 rechtstreeks aan de strijd in Vietnam gingen deelnemen was er een
oppositie. Deze kwam in de eerste jaren vooral van de kant van de
studenten, intellectuelen, kunstenaars en principiële pacifisten. De
punten waartegen het protest zich in de eerste plaats richtte, waren:
1. De massale bombardementen op Noord-en Zuid-Vietnam. Want de
Amerikaanse regering stelde dat je in een guerrillaoorlog moeilijk
onderscheid kan maken tussen militaire en civiele doelen.
2. De chemische en biologische strijdmethoden die door de Amerikanen
werden gebruikt; met name de ontbladering van grote gebieden, de
napalmbombardementen en het verspreiden van ziektekiemen werden ronduit
misdadig genoemd.
3. Het directe geweld dat tegen de Vietnamese bevolking werd gebruikt.
Dit bestond uit de lichamelijke en geestelijke mishandeling van personen
en groepen mensen en uit vernietiging van dorpen, voedselvoorraden en
akkers.
4. Ook was er kritiek op de motivering die de Amerikaanse regering gaf
voor haar aanwezigheid in Vietnam.
De eerste protestacties van enige omvang waren de
teach-ins in augustus 1965 aan Amerikaanse universiteiten. Met de
aankondiging van een uitbreiding van het aantal dienstplichtigen kregen
de teach-ins een extra impuls. Verscheidene hoogleraren riepen studenten
op tot ongehoorzaamheid. En een aantal oproepkaarten voor militaire
dienst werden in het openbaar verbrand.
Op 16 en 17 oktober 1965 werden de eerste betogingen tegen de officiële
Vietnampolitiek gehouden. In Berkeley (Californië) waren tienduizend
mensen op de been. Zij voerden in de demonstratie leuzen mee als ‘USA
uit Vietnam’ en ‘Geen imperialistische oorlogen meer’. Op 31 oktober
schreven 650 hoogleraren aan Johnson een brief waarin zij hem vroegen
‘het bloedvergieten in Vietnam te staken’. Zij voegden daar nog aan toe
dat zij zich met kracht zouden blijven verzetten tegen de toenmalige
politiek in Vietnam.
Op 2 november verbrandde de quaker Norman Morrison zichzelf voor het
Pentagon. Roger la Porte volgde een week later zijn voorbeeld voor het
gebouw van de Verenigde Naties in New York. OP 27 november hielden
25.000 intellectuelen, kunstenaars en leden van kerkelijke groeperingen
hun ‘Mars naar Washington’. Een tegen demonstratie bracht een groter
aantal mensen op de been. Diezelfde dag werden ook elders in de wereld
betogingen tegen de Amerikaanse Vietnampolitiek gehouden. Het was maar
een klein deel van de bevolking die de oppositie vormden, maar door hun
uitingen leek het een veel grotere groep.
Het jaar daarop bleef de oppositie groeien, evenals
het aantal Amerikaanse militairen in Vietnam. In 1967 werd het protest
massaal. Op 15 april van dat jaar betoogde in New York 125.000 mensen
tegen Johnsons Vietnampolitie. In de week van 16 tot 22 oktober vonden
overal in de Verenigde Staten demonstraties plaats. Hierbij kwam het
herhaaldelijk tot ongeregeldheden, met name bij rekruteringsburo’s van
het leger waar dienstplichtigen hun oproep teruggaven of verbrandden.
Het hoogtepunt in deze, door militante pacifisten georganiseerde week,
was een protestmars van circa 100.000 mensen naar het Pentagon. Een
stormloop op het gebouw ‘om de oorlogsmachine buiten werking te stellen’
werd afgeslagen. 700 deelnemers werden gearresteerd. In de week van 4
tot 10 december 1967 poogden pacifisten de rekruteringscentra te
blokkeren.
Een gevolg van deze acties was dat op 10 juli 1968 de bekende kinderarts
B. Spock, de studentenpastor W. Coffin, de schrijver N. Mailer en de
student M. Ferber werden veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf: zij
hadden dienstplichtigen advies en hulp gegeven om zich aan de
dienstplicht te onttrekken en hen opgeroepen hun draftcards te
vernietigen of terug te sturen.
De aankondiging van president Johnson op 31 maart 1968 dat hij de
bombardementen op Vietnam zou laten staken, vredesonderhandelingen zou
beginnen en zich niet herkiesbaar zou stellen voor een nieuwe
ambtstermijn had overigens al voor de veroordeling van Spock en zijn
drie medebeklaagden enige rust gebracht onder de tegenstanders van de
Amerikaanse Vietnampolitiek in de Verenigde Staten en elders in de
wereld. De acties buiten de VS hadden niet jo’n grote omvang, maar waren
we| van groot belang voor de opinievorming in de verschillende landen.
Ook Nederland kende zijn anti-Vietnam beweging.
De publieke opinie in de Verenigde Staten was in beweging. Op 11 juli
1966 meende 86% van de bevolking dat de bombardementen op Noord-Vietnam
het einde van de oorlog sneller naderbij zou brengen; 54% steunde de
Vietnampolitiek van Johnson. Op 28 augustus sprak 51% zich uit voor
vredesonderhandelingen, terwijl nog maar 33% de wijze goedkeurde, waarop
de oorlog gevoerd werd.
Nadat Johnson van het politieke toneel was verdwenen
en Nixon de door hemzelf beloofde ‘vrede met ere’ niet zo snel kon
verwezenlijken, laaide in de Verenigde Staten de tegenstand weer op. Op
15 oktober 1966 gaven ongeveer een miljoen jongeren gehoor aan de oproep
die dag in actie te komen tegen de Nixons oorlog. De acties bestonden
uit teach-ins, protestvergaderingen en marsen. In New York, Washington
en Boston namen ruim 100.000 mensen hieraan deel. Volgens een
opiniepeiling van 14 oktober 1969 werd Nixons Vietnampolitiek toen door
45% van de bevolking gesteund en door 50% verworpen. De organisatoren
zetten hun acties voort. Voor 13, 14 en 15 november belegden zij een
massale protestactie in Washington. De regering deed al het mogelijke om
deze demonstratie te voorkomen. In de pers werd de regering verweten dat
zij een confrontatie met de organisatoren uitlokte om hen in diskrediet
te brengen. De twee door het "New Mobilization Committee to end the war
in Vietnam" georganiseerde marsen, de ‘mars tegen de dood’ waarop de
deelnemers de namen van in Vietnam omgekomen militairen meedroegen, en
de ‘mars van honderdduizenden’, die zeker 300.000 deelnemers telde,
verliepen op enkele incidenten na rustig.
De oppositie probeerde de publieke opinie te
beïnvloeden via:
- petities
- demonstraties
- teach-ins
- verkiezingscampagnes
- weerstand tegen de dienstplicht
- vormen van opstand aan het eind van de oorlog
De regering had de keus om dienstweigeraars te negeren
of om hen gevangen te zetten. Dit werden op den duur duizenden en
potentieel tienduizenden dienstweigeraars.
Ouders braken, technisch gesproken, de wet door hun kinderen te
adviseren om dienst te weigeren en door het weigeren van het betalen van
hun belastingen.
Honderdduizenden keerden zich in hun hart tegen hun
land, ze geloofden dat de oorlog zinloos was en wreed. Ze concludeerden
dat de Amerikaanse democratie een schande was als zij geen alternatief
bood voor een politiek waar zo’n brede oppositie tegen was. Ze werden
zich ervan bewust dat de Verenigde Staten een wreed imperium was dat
alleen geïnteresseerd was in geld en macht en dat alleen gesteund werd
door militair geweld
In de periode dat de Amerikaanse militaire
betrokkenheid in Vietnam en de oppositie hiertegen groeide gebeurde er
veel tegelijk in de Verenigde Staten:
- Een scherpe en plotselinge verandering tussen de rassen.
- Het aannemen van progressieve wetgevingen, welke sinds 1930
aangehouden waren, deze werden gevolgd door de frustratie van het niet
functioneren van de wetgeving.
- De bereidheid om bij de meest geaccepteerde instituties en principes
vraagtekens te plaatsen.
- Een spontane beweging van de jongeren om de maatschappij te
veranderen, af te wijzen en uiteindelijk te vernietigen.
- Een toename van emoties aan beide kanten waarbij beschuldigingen van
verraad en/of genocide werden geuit.
- Toenemende atmosfeer van geweld, toenemende rellen, straatgevechten
tussen politie en demonstranten.
- De moord op M. Luther King en Kennedy.
Al deze dingen speelden een rol in de opinie over de
oorlog en waren in sommige opzichten zelfs een consequentie van de
oorlog.
Afschaffing van de dienstplicht
In juni 1969 kondigde Nixon aan dat de dienstplicht zou worden
afgeschaft. Door deze maatregel nam Nixon de oppositie tegen de oorlog
binnen twee jaar vrijwel alle wind uit de zeilen. De oppositie was
namelijk erg afhankelijk van de inbreng van universitaire studenten, die
er niets voor voelden in Vietnam te dienen. Met de dreiging van de
dienstplicht verdween ook de animo om tegen de oorlog te demonstreren.
Dat de afschaffing van de dienstplicht ook de demonstraties tegen de
oorlog zo goed als verdwenen, dachten Nixon en Kissinger dat men
eigenlijk helemaal niet tegen de oorlog was. De oppositie was alleen
tegen de dienstplicht.
- Verzet van een onverwachte
kant
Het congres had zich in alle jaren van de Koude Oorlog
geschikt naar de wensen van de verschillende presidenten. De
containment-politiek was vanzelfsprekend en de president moest maar zien
hoe die het beste uitgevoerd kon worden. In de tweede helft van de jaren
zestig was in het Congres, net als in de rest van het land, de
eensgezindheid over de containment-politiek snel weggesmolten. De
senaatscommissie voor buitenlandse zaken was steeds kritischer geworden
over de interventie in Vietnam. De invasie in Cambodja bracht het
Congres tot een eerste daad van openlijk verzet. Er werd een wet
aangenomen die het Nixon onmogelijk maakte om na 1 juli 1970 geld uit te
geven voor acties in Cambodja. In december van dat jaar trok het Congres
de ‘Golf van Tonkin-resolutie’ in. Dit had verder geen succes. Het
Congres probeerde verdere uitbreiding van de oorlog te verhinderen door
in het defensiebudget de bepaling op te nemen dat het ter beschikking
gestelde geld niet gebruikt mocht worden voor offensieve acties in Laos
en Cambodja. Acties van de luchtmacht vielen niet onder deze
verbodsbepaling, zodat de invasie in Laos wel Amerikaanse luchtsteun kon
krijgen.
In 1972 bracht het Congres alle gevoelens van ongenoegen over het
eigenmachtig optreden van de president tot uitdrukking in de War Powers
Act. Deze wet verplichtte de president om 30 dagen, nadat hij
Amerikaanse troepen ergens had ingezet, daarover rekening en
verantwoording af te leggen aan de volksvertegenwoordiging.
Om de onderhandelingen enigszins te bespoedigen was
Kissinger in 1969, eveneens in Parijs, geheime besprekingen begonnen met
Le Duc Tho, een lid van de Noordvietnamese politburo. Deze besprekingen
verliepen uiterst traag. De Amerikanen wilden een wapenstilstand en de
toezegging van de Noordvietnamezen dat ze het regime in Zuid-Vietnam
voorlopig zouden laten zitten. In ruil daarvoor zouden de Amerikanen al
hun troepen terugtrekken en de macht van de Vietcong over grote
gedeelten van Zuid-Vietnam erkennen.
In oktober 1972, twee weken voor de verkiezingen, kwam
de mededeling dat een vredesakkoord, waarvan de onderhandelingen al
sinds 1968 liepen, nu elk moment kon worden getekend. De besprekingen
raakten na de overwinning van Nixon in een impasse omdat Nixon op het
laatste moment betere garanties van de Noordvietnamezen wilde voor de
voorlopige continuering van het bewind in Saigon. Om zijn wensen kracht
bij te zetten gaf hij in december opdracht voor nieuwe, zeer zware
bombardementen op Noord-Vietnam. Eind december werden de bombardementen
gestopt omdat de Amerikanen zeer zware verliezen leden.
Op 23 januari 1973 werd een wapenstilstandovereenkomst getekend. Op 15
augustus 1973 staakten de Amerikanen alle militaire acties in Zuid-Oost
Azië. Zuid-Vietnam bestond nog twee jaar. Op 30 april 1975 gaf het
bewind zich in Saigon over aan de communisten. De Amerikaanse
interventie in Vietnam was ten einde.
- Gevolgen van de Vietnamoorlog
Ondanks de verzekering van Nixon, bij gelegenheid van
de ondertekening van het akkoord in januari 1973, dat hij een eervolle
vrede had weten te bereiken, leden de Amerikanen in Vietnam de grootste
nederlaag uit hun geschiedenis. Na jarenlange inspanningen ging
Zuid-Vietnam toch verloren.
Als gevolg van de Amerikaanse interventie kwam het neutrale Cambodja in
handen van de Rode Khmer, die een waar schrikbewind uitoefenden.
In de Amerikaanse binnenlandse politiek had de oorlog eveneens
vreselijke gevolgen.
Johnson en zijn ‘Great Society’ waren eraan ten onder gegaan. De
economie was in de greep van een schijnbaar niet te stoppen inflatie. De
politieke verhoudingen waren sterk gepolariseerd. De uitvoerende macht
had zich door de jarenlange geheimhouding, misleiding en illegale
activiteiten tegen de tegenstanders van de oorlog, ontwikkeld tot een
bedreiging van de constitutionele democratie.
De Wall Street Journal was in 1965 een van de eerste
kranten die zich tegen de interventie in Vietnam uitsprak omdat zij van
mening waren dat de effecten van de oorlog rampzalig waren voor de
Amerikaanse Economie (inflatie) en de Amerikaanse betalingsbalans.
Als gevolg van de totale preoccupatie met de oorlog in
Vietnam (president Johnson koos zelf de doelen uit die de Amerikaanse
luchtmacht in Noord-Vietnam moest bestoken) was er vanaf 1965 vrijwel
geen aandacht meer voor de andere sectoren van de buitenlandse politiek.
Wat wezenlijk was voor de Amerikaanse veiligheid, de relatie met de
Atlantische bondgenoten en met de Sovjetunie, werd zodoende verwaarloosd
ten behoeve van wat in feite een perifere kwestie was. |
|