Start
Omhoog

      Vietnam

 

  • Voorgeschiedenis

In de tweede helft van de 19e eeuw had Frankrijk zich meester gemaakt van Indo-China (Vietnam, Laos en Cambodja). Frankrijk kon zich daar tot de tweede wereldoorlog zonder al te veel moeite handhaven. In de oorlog werd Indo-China bezet door de Japanners (met wie de koloniale bestuurders samenwerkten).
Nationalistische groeperingen in Vietnam bundelden hun krachten in de Vietminh, een organisatie die overwegend communistisch was en anti-Frans en anti-Japans.
In 1945 verklaarde Ho Chi Minh Vietnam onafhankelijk. De Fransen erkenden de republiek min of meer, maar wilden de rest van Indo-China vasthouden. Ze stuurden troepen, die al snel slaags raakten met de soldaten van de Vietminh. De oorlog die toen uitbrak was niet alleen een -gebruikelijke - dekolonisatie oorlog. De tegenstander, de Vietminh, was immers een communistische organisatie en moest alleen daarom al uitgeschakeld worden.
De inheemse oproer kreeg een brede steun van het volk, want het doel was namelijk:
- nationale onafhankelijkheid
- de vereniging van een door kolonisten verdeeld land
Tijdens de bevrijdings oorlog stond de Vietnamese republiek voor grote economische problemen. De aanwezigheid van het Franse koloniale leger vormde een constante dreiging. Ook werd de oogst vaak vernietigd door de Franse luchtmacht. Ondanks de moeilijkheden beseften de Vietnamezen dat de regering eerlijk bezig was de levensomstandigheden van de bevolking te verbeteren. Dat het volk in overweldigende meerderheid de regering bleef steunen was het gevolg van het feit dat Ho Chi Minh erin slaagde bij het volk vertrouwen te wekken.

  • Amerika komt de Fransen te hulp

Het communistische bewind vestigde zich in 1949 in China. In Amerikaanse ogen nam het gevaar dat het communisme voor de Amerikaanse politieke, strategische en economische belangen in Azië opleverde een zo dreigende vorm aan, dat de VS nu direct de verantwoordelijkheid voor zuidoost Azië op zich namen.
Azië was namelijk zeer interessant voor Amerika i.v.m.:
- grondstoffen
- de doorvaart van schepen
- olie (er zou een enorm olieveld onder de zee liggen)

Tegen 1950 wisten de Fransen dat zij in moeilijkheden waren. Frankrijk  vroeg militaire hulp aan Amerika. Amerika wilde wel te hulp komen omdat er in Indo-China geen koloniale oorlog woedde, maar een strijd van het vrije westen  tegen de communistische dictatuur.
De Amerikaanse minister van buitenlandse zaken maakte bekend dat Amerika economische en militaire uitrustingen  zou sturen naar de Fransen in Indo-China. Dit om hen behulpzaam te zijn bij het herstellen van de orde en om een vreedzame en democratische ontwikkeling te bevorderen. President Truman maakte op 27 juni 1950 de zending van een militaire missie bekent. Deze missie was bedoeld om nauw samen te kunnen werken met de Franse strijdkrachten. In augustus 1950 werd een 35 man sterke hulpgroep naar Indo-China gezonden als adviseurs bij het gebruik van Amerikaanse wapens.

  • De Franse bezinning

De Fransen hadden een achterstand op de Vietnamezen, want de Vietnamezen vochten in eigen land, op bekend terrein en ze hadden de steun van de bevolking. Ook was het doel van de Vietnamezen duidelijk namelijk: nationale onafhankelijkheid tegen koloniale overheersing. Terwijl de Franse doelstellingen, formeel althans, van het ene na het andere vage plan varieerden, namelijk: ’autonome staat binnen de Franse Unie’, ‘geassocieerde staat van de Indochinese federatie’.

Van juni 1950 tot mei 1954 verschaften de VS voor $2,6 miljard aan militaire en economische steun aan de Fransen in Vietnamdilt is niet minder dan 80% van de totale kosten van de Franse oorlogsinspanningen.
Ondanks de massale steun van Amerika werd de militaire positie van Frankrijk tegenover de Vietminh gaande weg  zwakker. Frankrijk had geen steun van de grote massa van het Vietnamese volk en de onwil van de Fransen om te vechten nam steeds meer toe. In Franse politieke kringen kreeg men opeens in de gaten dat Frankrijk aan het eind van de oorlog die het al zeven jaar voerde, ongetwijfeld Vietnam zou kwijtraken aan de Verenigde Staten. Alle opofferingen die men zich had getroost, zouden dan te vergeefs zijn geweest. Zo kwam men algemeen tot de overtuiging dat er zo snel mogelijk een eind gemaakt moeten worden aan dit rampzalige en bloedige conflict.
In 1953 behaalden de Fransen een aantal succesjes (Lang Son en de aanvalsbasis van de 30e divisie werdeb veroverd). Na deze successen werd eind juli een soort Frans-Amerikaans verdrag gesloten: Frankrijk en Amerika zouden samen tegen de communisten vechten tot de overwinning was behaald.

  • De strateeg van de volksoorlog
    Vo Nguyen Giap, Noordvietnamees generaal

In Vo Nguyen Giap bezaten de Vietnamezen een militaire leider van uitzonderlijke kwaliteit. De belangrijkste factor, die het de Vietnamese nationale staat mogelijk maakte het uit te houden en alle militaire en politieke aanslagen op zijn bestaan te overleven, was de bekwaamheid en de doeltreffendheid waarmee Ho Chi Minhs regering de bevolking inspireerde tot een onverzettelijke wil om door te zetten.

Giap werd geboren in 1912 in de provincie Quang Binh.  Hij studeerde aan de universiteit van Hanoi. Hier werd hij beïnvloed door de geschriften van Ho Tsji Minh (toen nog Nguyen Ai Quoc geheten).
In de jaren dertig sloot hij zich aan bij de  Indochinese communistische partij. Giap was toen leraar geschiedenis.
In 1940 vluchtte hij naar Zuid-China waar hij Ho en Pham Van Dong (de latere premier van Noord-Vietnam) ontmoette. Zij besloten het verzet in Tonkin te organiseren en Giap nam deze taak op zich.
In 1941 waren de eerste guerrilla groepjes actief. In de loop van de jaren werden deze groepjes zeer losjes samengebundeld tot een strijdmacht die het bergachtige noord-oosten van Tonkin ging beheersen en die op 22 december 1944 formeel Vietnamees Bevrijdingsleger ging heten.
Na het uitroepen van de onafhankelijkheid in augustus 1945 wijdde Giap zich met koortsachtige energie aan de verdere opbouw van de gewapende macht, omdat hij de onderhandelingspolitiek van de Fransen doorzag als een manoeuvre om tijd te winnen en intussen hun militaire machinerie in gereedheid te brengen om de Vietnamese nationale staat moest te verpletteren.
In april 1946 was Giap getuige geweest van de ontscheping van Leclercs expeditieleger, dat Ho bij verdrag van 6 maart 1946 had toegestaan tijdelijk bepaalde steden van Tonkin te bezetten. Hij voelde zich weinig op zijn gemak toen hij zag dat de enorme hoeveelheden oorlogstuig die de Fransen aansleepten, de behoeften verre te boven gingen van een tijdelijke en vreedzame bezetting.
Terwijl Pham Van Dong in Frankrijk onderhandelde, begon Giap voorbereidingen te treffen voor een verdediging, ervan uitgaande dat de oorlog lang kon duren. In de bergstreken van Tonkin werden verzetsbases gevestigd, waarop de regering, het leger en wat er aan industrie was zich zouden gaan terug trekken in geval van een Franse aanval.
Grote aandacht bestedde Giap aan politieke instructie, niet omdat hij communist was met een voorkeur voor ideologische indoctrinatie, maar omdat hij er als nationalist van uitging dat de strijd  primair  politiek zou worden beslist.
In Giaps gedachtengang voerde Vietnam een politieke strijd; in dit opzicht ontleende hij veel aan de ervaringen van de Chinese communisten en aan de politieke en strategische theorieën van Mao Tse-toeng. Belangrijk was wat er gebeurde op politiek en bestuurlijk vlak op het laagste niveau. Hier stond de gewonde dorpeling, de kleine boer centraal.
Het ging om het volk en daarop concentreerde Giap al zijn aandacht, ook toen de strijdmacht sterk genoeg was om het te laten aankomen op een geregelde slag. Het Vietnamese leger was niet zomaar de gewapende arm van een willekeurige regering die over de hoofden en op de ruggen van het volk een oorlog voerde die dat volk in wezen koud liet. Er werd een band gesmeed tussen het volk, de regering en de strijdkrachten, waardoor de Vietnamese vrijheidsoorlog een volksoorlog werd waarin de gehele natie betrokken was.
Dit uitgangspunt was de garantie om de strijd te kunnen winnen tegen een materieel en technisch superieure vijand.
In november 1946 breidde de oorlog zich over het hele land uit. De Fransen kregen geen vat op de bevolking en werden door de guerrilla behoorlijk uitgeput.
In 1950 was de slag bij Cao Bang. De Fransen leden een gevoelige nederlaag.
In de jaren hierna kreeg de oorlog een steeds grimmiger karakter. De Fransen werden materieel en financieel gesteund door de Verenigde Staten.
In 1954 werden de Fransen verslagen bij Dien Bien Phoe.
Toen in 1954 de wapenstilstand gesloten werd, beheersten de Vietnamezen ongeveer driekwart van hun land, waaronder meer dan de helft van wat nu Zuid-Vietnam heet.
Dien Bien Phoe was het hoogte punt van Giaps carrière als opperbevelhebber van het Vietnamese leger. Zijn tactiek, die nooit was onderwezen op de Franse militaire academie, St. Cyr, had gezegevierd.
Na  de verdeling van Vietnam en het begin van de opstand in het Zuiden - er was toen nog geen sprake van enige steun van Hanoi aan de gewapende tegenstanders van de regering in Saigon- deed Giap uitspraken dat het noorden het volk van het zuiden moest bijstaan, hetgeen de Amerikanen aanvoerden als een van de vele bewijzen van Noord-Vietnamse slechte bedoelingen.
Giaps opmerkingen waren meer bedoeld als solidariteitsverklaringen dan als een oproep tot ingrijpen.
Pas toen de burgeroorlog in het zuiden in volle hevigheid losbarstte en in 1965 leidden tot achtereenvolgende interventies van de Verenigde Staten en Noord-Vietnam, werd Giap weer direct betrokken bij de oorlog. Al werd het Zuidvietnamese Bevrijdingsleger beïnvloed door Giaps inzichten, Giap zelf gaf geen directe leiding aan de strijd in het zuiden. Zijn hoofdtaak lag in het Noord-Vietnam, waar hij het leger en het volk organiseerde voor de verdediging tegen de Amerikaanse luchtmacht en het voorbereidde op een mogelijke invasie.
Giap is voorgesteld als de man die de Japanners in Tonkin in het nauw dreef, het Franse kolonialisme in Indo-China de nekslag gaf en met succes de Verenigde Staten weerstond.
Dat is waar, maar het is niet alles. Ontegenzeglijk is hij een briljant strateeg, maar in Vietnams langdurige oorlog met het Westen ligt het kernpunt niet bij de veldheer, maar bij het volk.

  • Dien Bien Phoe

Giap trok met zijn strijdkrachten in ‘53 naar het hoogland in het noordwesten, alsof ze van plan waren Laos aan te vallen. Frankrijk wilde dat voorkomen en besloot haar verdediging te concentreren op de basis Dien Bien Phoe. Giap bracht bijna zijn hele strijdmacht in het veld tegen Dien Bien Phoe. De generale staf van de Vietminh had besloten alles op alles te zetten om te verhinderen dat de Fransen het noordwesten weer in bezit namen en om aan het front de overwinning te behalen. De slag bij Dien Bien Phoe zou de felste slag van de hele oorlog worden.
Divisies van de Vietminh vielen gedurende drie maanden op verschillende plaatsen in Vietnam aan. De bedoeling was om het Franse leger uiteen te rafelen. Op 13 maart 1954 gaf Giap het bevel tot de aanval op Dien Bien Phoe.
De snelle verslechtering van de militaire en politieke situatie in heel Indo-China dwong de Fransen van nu af aan vóór alles naar een eervolle beëindiging van de vijandelijkheden te streven.
De Fransen lagen voortdurend zwaar onder vuur en hadden hun voornaamste bastions verloren. Ze konden niet meer rekenen op enige hulp van buiten. Het garnizoen in Dien Bien Phoe was gedoemd het onderspit te delven. Op 7 mei capituleerde het Franse leger. Onder druk van Washington verleende Frankrijk op 4 juni 1954 de Staat Vietnam onafhankelijkheid.

  • De invloed van de strijd in Korea

Amerika zag China, Korea en Indo-China als drie aspecten van een en hetzelfde patroon: het streven naar wereldoverheersing van de Sowjetunie.
In juni 1950 viel Noord-Korea, een satellietstaat van de Sowjetunie, onverhoeds Zuid-Korea aan. Zuid-Korea was een politieke vriend van de Verenigde Staten. Waarschijnlijk ging het hier slechts om een machtsstrijd tussen lokale potentaatjes, maar het Westen zag de Noordkoreaanse aanval als de eerste zet in Stalins meesterplan voor een geleidelijke verovering van de hele wereld.
De Amerikanen besloten vrijwel onmiddellijk tot een massale interventie; in deze politieke omstandigheden kwam een verdrievoudiging van de defensiebegroting moeiteloos door het Congres.
Het besluit Zuid-Korea te verdedigen betekende dat de Verenigde Staten nu gekozen hadden voor een wereldwijde containment van het communisme.
Vijf jaar na de tweede wereldoorlog stelden de Amerikanen hun eigen veiligheid gelijk met de veiligheid van de gehele wereld buiten het communistische blok. Elk land dat communistisch werd, zou volgens Amerika, de strategische positie van het Westen verzwakken.

  • De domino-theorie

Over de spoedige nederlaag van Frankrijk bestond in de lente van 1954 geen twijfel meer. De Amerikaanse regering was daar zeer ongelukkig over want het communisme zou een stap vooruit doen. Over de vraag wat er aan deze situatie gedaan moest worden, bestond in de Amerikaanse regering onenigheid.
De Franse nederlaag bij Dien Bien Phoe stelde de regering van Eisenhower voor een moeilijke en pijnlijke beslissing: moesten de Verenigde Staten de plaats van Frankrijk in de oorlog tegen Indo-China overnemen.
Een argument voor interventie in Vietnam was de ‘domino-theorie’. Dit hield in dat het verlies van Indo-China onvermijdelijk het verlies van het overige Zuidoost-Azië aan het communisme zou veroorzaken. De landen van Zuidoost-Azië werden vergeleken met overeind staande dominostenen, die allemaal zouden omvallen door de val van de eerste steen, Indo-China.
Dit vooruitzicht was zo verontrustend dat vooraanstaande personen in de regering van Eisenhower (vice-president Nixon, de minister van buitenlandse zaken Dulles en admiraal Radford) Amerikaanse interventie in Vietnam bepleitten om dat te voorkomen.
De leiders van Huis en Senaat, die over de situatie geraadpleegd werden, voelden niets voor Amerikaans optreden.
Dulles en de luchtmachtgeneraaals wilden ingrijpen, de landmacht was tegen interventie en Eisenhower aarzelde.
Eisenhower maakte tenslotte het Amerikaanse militaire ingrijpen afhankelijk van Engelse steun. Omdat de Engelsen daar natuurlijk niets voor voelden, leden de Fransen de verwachte nederlaag en werd de Amerikaanse interventie nog tien jaar uitgesteld.

  • De conferentie in Genève

In juli 1954 sloot de Franse regering in Genève een wapenstilstand met de opstandelingen. Er werd afgesproken dat Vietnam voorlopig in tweeën zou  worden gedeeld en dat Laos en Cambodja onafhankelijk zouden worden. Na twee jaar moesten verkiezingen gehouden worden en zouden de twee helften weer samengevoegd worden. Ook zouden in Indo-China geen buitenlandse troepen worden gelegerd.
De Amerikanen waren geen partij bij deze Geneefse akkoorden maar verklaarden wel de akkoorden te zullen respecteren. De Amerikanen hebben zich niet aan die verklaring gehouden.
Het begin van de periode, die aanbrak met de ondertekening van de akkoorden van Genève, bracht in Vietnam de geleidelijke overgang van een bestuur onder Franse protectie naar een bestuur onder Amerikaanse invloed.
Zuid-Vietnam, zo besloot Amerika, mocht niet verloren gaan en werd een onderdeel van de containment (indamming) van het communisme in Azië. De Zuid-Vietnamese regering kreeg Amerikaanse militaire adviseurs en aanzienlijke financiële assistentie. Van de verkiezingen werd al snel afgezien omdat iedereen begreep dat de communisten die zouden winnen. Om verdere afbrokkeling van posities in Azië te voorkomen, bracht Dulles in september 1954 een soort Aziatische NAVO tot stand, de South East Asian Treaty Organisation (SEATO). Daarvan waren, behalve de Verenigde Staten, Engeland, Australië, Nieuw Zeeland, Frankrijk, Thailand, Pakistan en de Filipijnen lid. De partijen beloofden Laos, Cambodja en Zuid-Vietnam te beschermen.
Toen militaire interventie van de kant van de Verenigde Staten eenmaal onmogelijk was gebleken, verbond Dulles er zoveel voorwaarden aan dat hij er zeker van kon zijn dat hij nooit meer het gevaar zou lopen dat het ooit zover zou komen. Hij stelde niet minder dan vijf voorwaarden als noodzakelijke rechtvaardiging van interventie:
1. Een verzoek van de Fransen.
2. Een duidelijke verzekering van de volledige onafhankelijkheid van Laos, Cambodja en Vietnam.
3. Duidelijke bemoeienis door de Verenigde Naties.
4. Een gezamenlijke inspanning van de kant van de andere staten in het gebied.
5. De verzekering dat Frankrijk zich niet uit de strijd zou terugtrekken voor die gewonnen was.
Gerekend naar de omstandigheden van 1954 was het niet waarschijnlijk dat er volledig aan één van deze afspraken zou worden voldaan, als dat wel zo was geweest had Dulles er waarschijnlijk nog wel een paar aan toe gevoegd.
De aanhangers van de domino-theorie waren in 1954 niet bereid om hun eigen theorie door te denken en zich er aan te houden. Als het waar was wat president Eisenhower beweerde, nl. dat het verlies van Indo-China door de Fransen de val van Zuidoost Azië zou betekenen, dan stond er zoveel op het spel dat de voorstanders van deze theorie wel genoodzaakt waren om de grootste risico’s te nemen, zonder de onmogelijke voorwaarden, die Dulles er aan verbond. Niet alleen schrok Eisenhower terug voor de implicaties van zijn eigen theorie, maar ook maakten de onmiddellijke gevolgen van de Franse nederlaag zijn bittere voorspelling niet waar.

  • Ngo Dinh Diem

De katholieke dictator Ngo Dinh Diem kwam in 1954 aan de macht in zuid-Vietnam. Diem had een diep wantrouwen tegen de Vietminh en was fel anti-communistisch. Daardoor werd hij door de Verenigde Staten beschouwd als een onafhankelijk nationalistisch alternatief tegenover de radicale Vietminh in het noorden. Hij werd het belangrijkste instrument van de Amerikaanse politiek in Vietnam.

Van 1954 tot 1959 waren de Vietnamese communisten (de Vietcong) tamelijk rustig. Diem was hard op weg een politiestaat te creëren, waarin iedere mogelijke rivaal en ieder die kritiek uitoefende zonder onderscheid tot zwijgen werd gebracht, verbannen, gevangen gezet of ter dood werd gebracht.
De communisten gingen in 1960 over tot een georganiseerde guerillastrijd. Ze waren er op uit om het zuiden te ‘bevrijden’. Het Nationaal Bevrijdingsfront van Zuid-Vietnam werd opgericht.

Aanvankelijk had het er in de jaren vijftig naar uit gezien dat Diem erin zo slagen, met aanzienlijke Amerikaanse hulp, van Zuid-Vietnam een functionerende, zelfstandige natie te maken. Maar in de loop van 1961 kon niet langer verborgen blijven dat het Zuidvietnamese regime in grote moeilijkheden was. Nauwelijks was J.F. Kennedy als president beëdigd of het gerucht ging dat het regime van Diem op het punt stond in één te storten. Het probleem van Kennedy was: "Wat moesten de Verenigde Staten doen om een volledige ineenstorting in Vietnam te voorkomen".
Kennedy stuurde in 1961 zijn adviseurs Taylor en Rostow naar Saigon om de situatie te bekijken. Rostow wilde Noord-Vietnam bombarderen. Hij dacht dat de Noordvietnamezen, als er flinke schade werd aangericht, zich wel tweemaal zouden bedenken voor ze hun guerrilla’s weer op oorlogspad stuurden. Taylor wilde Amerikaanse troepen inzetten om het moreel van de Zuidvietnamezen te sterken en het Amerikaanse engagement duidelijk te maken. Kennedy wilde liever wat voorzichtiger beginnen en vergrootte in de daaropvolgende twee jaar het aantal Amerikaanse militaire adviseurs van 600 naar 15000.
Veel positieve effecten had die uitbreiding niet. Het Zuidviernamese leger bracht er in de confrontaties met de Vietcong niet veel van terecht. Dat was voor de militaire adviseurs aanleiding om al in 1962 om uitbreiding van hun militaire mogelijkheden te vragen. De Vietcong zou effectiever bestreden kunnen worden als het door hen geadviseerde Zuidvietnamese leger de beschikking kreeg over napalm, ontbladeringsmiddelen en straaljagers. De effecten waren opnieuw teleurstellend.

  • Diem afgezet

Zolang de bevolking ontevreden bleef hadden de guerrilla’s een politieke voedingsbodem. Diem was niet tot politieke en sociaal economische hervormingen te brengen. Diem ging ervan uit dat de Amerikanen het moeilijk zonder hem komden stellen. Daar had hij tot op zekere hoogte wel gelijk in. Hij was immers door de Amerikanen zelf jaren lang afgeschilderd als de Aziatische Churchill en de enige mogelijke redder van zijn vaderland. In de loop van 1963 verslechterde de situatie in Zuid-Vietnam zo snel dat de Amerikanen besloten dat Diem maar moest verdwijnen. In het verleden hadden de Amerikanen complotterende generaals onveranderlijk tegengehouden, nu gaven ze een nieuw groepje samenzweerders het groene licht. Op 1 november werd Diem afgezet en samen met zijn broer vermoord. Een militaire junta nam de macht over. En ook nu kwam er niets van de hervormingen terecht.

  • Escalaties

In 1964 verslechterde de toestand in Zuid-Vietnam zienderogen. De militaire junta bracht er namelijk nog minder van terecht dan Diem. Johnson, die Kennedy opvolgde na zijn dood, kon daar even niets aan doen omdat de verkiezingen voor de deur stonden en hij naar buiten trad als vredeskanidaat. Zodat hem niet te veel vredelievendheid verweten kon worden en om op alle eventualiteiten te zijn voorbereid zorgde Johnson er in augustus 1964 voor dat het Congres hem ten behoeve van de interventie in Vietnam een blanco cheque verleende.
Op 3 augustus werden twee Amerikaanse torpedobootjagers in de golf van Tonkin aangevallen door Noordvietnameze torpedoboten. Johnson vroeg om de volmacht om alles te doen om herhaling te voorkomen. De president kreeg het recht verdere agressie te verhinderen en werd gemachtigd alles te doen wat noodzakelijk was om naties die in het SEATO-verdrag genoemd waren te beschermen. Als vergelding voor de aanval liet Johnson vervolgens de havens bombarderen van waaruit de Noordvietnamese torpedoboten opereerden.

  • Het begin

Toen Johnson in 1964 zijn verkiezingsoverwinning behaalde kon hij aan de Amerikaanse aanwezigheid in Vietnam een einde maken. Dit is nooit gebeurt omdat de betrokkenen van mening waren dat Zuid-Vietnam niet verloren mocht gaan. In de eerste plaats niet vanwege het domino-effect dat een communistische overwinning in Zuid-Vietnam zou hebben en in de tweede plaats omdat Zuid-Vietnam van vitaal belang was om een natie (in dit geval de Verenigde Staten) te helpen de communisten tegen te houden in een vrijheidsoorlog. In januari 1965 waren Johnson en zijn adviseurs op zoek naar een goede aanleiding om de al zo lang bestaande plannen voor de bombardementen ten uitvoer te brengen. Begin februari deed de Vietcong een mortieraanval op een kampement van Amerikaanse militaire adviseurs. President Johnson gaf meteen het bevel voor en vergeldingsbombardement. Een paar dagen later werd een tweede Amerikaanse basis aangevallen en een tweede vergeldingsbombardement uitgevoerd. Nu was het nog maar een kleine stap naar Johnsons besluit van 13 februari om Noord-Vietnam permanent te gaan bombarderen.

  • De schuldige is Hanoi

De interne troebelingen in de Zuidvietnamese politiek hadden de Amerikanen er al voor 1964 toe verleid de oorzaak daarvan niet in Zuid-Vietnam zelf te zoeken, maar in de steun die de guerrilla in het Zuiden van de zijde van Noord-Vietnam ontving. En met het toenemen van de onrust in het Zuiden groeide de Amerikaanse geneigdheid, met name tegenover de publieke opinie in eigen land, Hanoi af te schilderen als de grote boosdoener en het werkelijke brein achter de strijd in Zuid-Vietnam. Washington legde er nu meer de nadruk op dat de guerrilla van buiten af werd geleid en gevoed met mankracht en materieel. De voorzitter van de politieke planninggroep van het Amerikaanse ministerie van buitenlandse zaken Rostow meende de weg naar de overwinning te kunnen blokkeren door de guerrilla materieel en moreel af te snijden van haar hulpbronnen. Er werd voorbijgegaan aan de mogelijkheid dat die hulpbronnen zich wel eens in Zuid-Vietnam zelf, in de geest van verzet van de boerenbevolking tegen het regime in Saigon, zouden kunnen bevinden. Rostow concludeerde dat de Amerikaanse inspanning zich meer op Noord-Vietnam zou moeten richten.
De situatie lag echter niet zo eenvoudig als Rostow haar voorstelde. Weliswaar was Noord-Vietnam zich sinds de oprichting van het Nationale Bevrijdingsfront actief gaan bezighouden met de guerrilla in het Zuiden, maar de omvang van de Noordvietnamese steun werd door Washington schromelijk overschat. De arsenalen van het bevrijdingsfront bevatten aanvankelijk grotendeels nogal primitieve zelfgefabriceerde en op de tegenstanders buitgemaakte wapens.

  • Heimelijke Amerikaanse acties

De heimelijke oorlogvoering van Washington tegen Hanoi omvatte het eerste halfjaar van 1964 verscheidene soorten acties: verkenningsvluchten door U-2 toestellen, aanvankelijk op grote hoogte, maar vanaf mei veel lager; patrouilles van torpedobootjagers van de Amerikaanse Zevende Vloot in de Golf van Tonkin voor de Noordvietnamese kust, die behalve als vlagvertoon eveneens bedoeld waren om informatie te verzamelen over de Noordvietnamese kustverdediging. Verder sabotage-acties door commandotroepen in het Noorden, gericht tegen strategische doelen als bruggen, opslagplaatsen enzovoort; bombardementen op stellingen van de door Hanoi gesteunde Pathet Lao in Laos en op troepenbewegingen langs de zogenoemde Ho-Tsji-Minh-route in het oosten van dat land. De bombardementen werden uitgevoerd door vliegtuigen met Laotische kentekenen, die waren bemand door Thailandse piloten en vliegers van Air Amerika, een mantelorganisatie van de CIA. Zowel de Amerikaanse inlichtingendienst als de militaire top achtten echter de kans gering dat Hanoi zich door dit soort prikacties zou laten afschrikken van de ondersteuning van de guerrilla. Het Witte Huis en het Pentagon waren dan ook tegelijkertijd bezig minutieuze plannen op te stellen voor zwaardere militaire operaties die Hanoi wel op de knieën zouden kunnen dwingen.
Het Amerikaanse publiek werd intussen onkundig gehouden van de omvang die de acties tegen Hanoi hadden aangenomen. Minister van defensie Robert MacNamara had in maart 1964 weliswaar toegegeven dat de mogelijkheid van militaire acties tegen Noord-Vietnam zorgvuldig werd bestudeerd, maar dat de VS een programma van voortdurend in hevigheid toenemende clandestiene provocaties aan het afwerken waren, geloofden op dat moment slechts zeer weinigen in Washington.

  • Het opvoeren van de vijandelijkheden

Naast deze militaire ‘vingeroefeningen’ voor het oorlogsspel tegen Noord-Vietnam werkte de regering-Johnson aan de voorbereiding van de oorlog op het intern-politiek vlak. Al in mei 1964 werd de tekst opgesteld van een resolutie die na het publiekelijk openen van de vijandelijkheden tegen Hanoi door het Amerikaanse Congres moest worden aangenomen en die de regering wilde beschouwen als gelijkwaardig een oorlogsverklaring.
Niets werd aan het toeval overgelaten: aan de hand van alle, via lucht- en zeeverkenning verzamelde informatie werd een nauwkeurige lijst van Noordvietnamese militaire en industriële doelen opgesteld, maar ook lag een operatieplan klaar waarin de mogelijke Noordvietnamese en zelfs Chinese reacties waren geïnventariseerd, plus de mogelijke Amerikaanse antwoorden daar weer op.
Op aandrang van de ambassadeur in Saigon werd in het scenario nog één uitwijkmogelijkheid opgenomen: de missie in juni naar Hanoi van een Canadese diplomaat die de Noordvietnamezen een soort ultimatum moest doen: staakt de acties in het Zuiden, zet de steun aan de guerrilla stop, anders worden de Amerikaanse acties tegen Noord-Vietnam voortgezet. Hanoi reageerde hier niet op.
In juli nam het aantal provocerende acties toe. Zuidvietnamese kranten meldden succesvolle sabotagedaden tegen militaire en strategische doelen in Noord-Vietnam. Op 1 en 2 augustus 1964 bombardeerden Thailandse piloten van Air Amerika Noorvietnamese dorpen vlak bij de grens van Laos.

  • Het Tonkin-incident

Op 30 juli 1964 deden Zuidvietnamese commando’s, die onder bevel stonden van de Amerikaanse bevelhebber lt. W. Westmoreland, een amfibieaanval op de twee Noordvietnamese eilanden Hon Me en Hon Nieu in de Golf van Tonkin bij de monding van de Rode Rivier. De Amerikaanse torpedobootjager ‘Maddox’, die op dat moment voor de Noordvietnamese kust patrouilleerde, koerste (waarschijnlijk niet op de hoogte van deze sabotage-actie) in de richting van de eilanden en werd op 2 augustus aangevallen door drie Noordvietnamese torpedoboten die het zeegebied afzochten naar de aanvallers.  De ‘Maddox" liep geen schade op, maar twee van de Noordvietnamese schepen werden beschadigd door Amerikaanse vliegtuigen die te hulp waren gekomen en het derde werd door een voltreffer van de ‘Maddox’ tot zinken gebracht.
Volgens de Amerikaanse lezing bevond de ‘Maddox’ zich op dat moment 23 mijl uit de Noordvietnamese kust en had het schip pogingen gedaan de Noordvietnamezen te ontwijken. Volgens een andere lezing waren de Noordvietnamezen niet eerder tot de aanval overgegaan dan nadat de ‘Maddox’ hun een aantal schoten voor de boeg had gegeven.
De dag daarop beval president Johnson de vloot in dit gebied te versterken. De ‘Maddox’ moest samen met een andere torpedobootjager terugkeren naar de Noordvietnamese kust, dit keer tot op een afstand van 11 mijl, een mijl binnen de door Noord-Vietnam aangehouden, maar door de VS niet erkende 12-mijlszone. In de nacht van die zelfde dag hadden nieuwe aanvallen plaats van Zuidvietnamese motortorpedoboten op militaire doelen langs de Noordvietnamese kust.
Op de avond van de vierde augustus openden Noordvietnamese torpedoboten het vuur op de twee Amerikaanse oorlogsboten (volgens Noord-Vietnam heeft deze aanval nooit plaatsgehad en waren er op dat moment helemaal geen Noordvietnamese schepen in de buurt). In Washington werden onmiddellijk de voorbereidingen voor het antwoord getroffen: doelen werden geselecteerd en troepen en luchtmachteenheden in paraatheid gebracht. Nog geen negen uur later waren er vliegtuigen in de lucht om een reeks vergeldingsaanvallen uit te voeren die bijna de hele Noordvietnamese vloot vernietigde.
Johnson stelde het Amerikaanse volk in kennis van de aanvallen op Noord-Vietnam. Maar bij die gelegenheid werd net zomin als de dagen daarop bij de behandeling in het Congres van de resolutie (later Tonkin-resolutie genoemd) die Johnson machtigde alle maatregelen te nemen die hij noodzakelijk achtte, melding gemaakt van de maandenlange clandestiene acties tegen Noord-Vietnam, die veel provocerender waren geweest dan de beschietingen in de Golf van Tonkin.
Met de Tonkin-resolutie had de Amerikaanse regering een instrument in handen gekregen waarmee het uitgebreide actieprogramma openlijk uitgevoerd kon worden. Althans, dat meende zij. Een aantal congresleden weigerde de resolutie echter te beschouwen als een blanco-volmacht aan de president om een regelrechte - zij het niet-verklaarde - oorlog in Azië te gaan voeren.

  • De inzet van Amerikaanse troepen

De bombardementen waren nauwelijks begonnen of de Amerikaanse bevelhebber Westmoreland in Zuid-Vietnam vroeg om twee bataljons mariniers om de grote Amerikaanse luchtmachtbasis te beschermen. Zijn verzoek werd ingewilligd en daarmee stond de deur op een kier voor de volgende fase van de escalatie.
De gang van uitbreiding ging als volgt: Westmoreland rapporteerde dat de pacificatie van Zuid-Vietnam goede vorderingen maakte, maar dat de echte beslissing pas mogelijk was als hij nog meer troepen kreeg. Zijn verzoek om meer manschappen werd dan snel ingewilligd. In april werden er nog een 20.000 manschappen gestuurd en werd de taak van de mariniers veranderd. Zij mochten nu ook offensief gaan optreden. Toen eenmaal besloten was tot directe inzet van Amerikaanse troepen was het hek van de dam. De troepenmacht werd voortdurend vergroot. In januari 1968 waren er een half miljoen Amerikaanse soldaten in Vietnam.
Generaal Westmoreland voerde van 1964 tot 1968 het bevel over de troepen. Zonder moeite kreeg hij de versterkingen die hij vroeg aan het Pentagon. Het aantal manschappen in Vietnam steeg van 23.000 in 1964 tot 184.000 in 1965. In 1968 waren het er een half miljoen .
Er waren geen vaste frontlijnen noch gevechten tussen grote eenheden . De infanterie had niet de opdracht gekregen het noorden te bezetten. Het kwam erop aan om het gezag van Saigon op het platteland te vestigen of te herstellen, de ‘Vietcong’ te beletten om de ‘bevrijde’ dorpen te heroveren. Westmoreland voerde een uitputtingsoorlog. Het doel was zoveel mogelijk tegenstanders te doden. In Washington verlangde men resultaten en om die te meten ging er niets boven statistieken. De gevechtseenheden waren verplicht bij te houden hoeveel verliezen zij de vijand hadden toegebracht. De doden werden vaak dubbel geteld om goede resultaten te boeken. Veel Amerikanen sneuvelden door eigen landmijnen. De legerstaf bleef verkondigen dat de overwinning spoedig een feit zou zijn. Eind 1967 legde Westmoreland een uiterst gerustellende verklaring af: " Tijdens mijn  vier jaren in Vietnam, ben ik nog nooit zo optimistisch geweest", zei hij. Een maand later begon het Tet-offensief.

  • Het Tet-offensief

Eind januari 1968 kwam het overtuigende bewijs dat het zelfvertrouwen van de Amerikaanse regering op niets gebaseerd was. In januari sloegen Noordvietnamese troepen het beleg om de basis Khe Sanh in het uiterste noorden van Zuid-Vietnam. Om de dreiging af te wenden voerde het Amerikaanse opperbevel ijlings versterkingen aan, maar moest daarvoor zijn posities in de rest van het land aanzienlijk verzwakken. Op dat moment ontketende het Bevrijdingsfront in geheel Zuid-Vietnam een algemeen offensief dat uiterst zorgvuldig was voorbereid maar dat vervroegd startte toen op 29 januari 1968 de Amerikanen eenzijdig het traditionele bestand ter gelegenheid van het Vietnamese nieuwjaar (Tet) opzegden.
Tientallen steden en bases werden aangevallen; Hue, Saigon, Cholon werden bezet. De Amerikanen en de Zuidvietnamezen verloren hun greep op grote delen van het platteland en moesten ook een aantal provinciehoofdsteden prijsgeven. In Saigon drong een zelfmoordcommando van de Vietcong door tot in de bijgebouwen van de Amerikaanse ambassade en beschoten vandaar het hoofdgebouw met bazooka’s. De Amerikanen reageerden met onbeteugeld geweld; de luchtmacht voerde nietsontziende bombardementen uit. Desondanks boden de in de steden doorgedrongen troepen van het Bevrijdingsfront en Noordvietnamezen hardnekkig tegenstand. Ze wisten zich twee weken lang te handhaven in Cholon en meer dan drie in Hue, dat op 24 februari werd heroverd. Tijdens de strijd om Cholon maakten de Amerikanen hele wijken met de grond gelijk en ook Hue werd voor het grootste deel verwoest.
Voor iedereen was nu duidelijk dat de militaire pacificatie van Zuid-Vietnam geen succes was geworden. Of de Vietcong gehoopt heeft door middel van het Tet-offensief in één klap de burgeroorlog te beslissen is niet bekend. Als dat het geval was, leed zij een bittere nederlaag. Een nederlaag die binnen het grotere geheel van de Vietnamese oorlog een spectaculaire overwinning was, omdat het Amerikaanse moreel er defifnitief door gebroken werd.

  • Keerpunt in de strijd

Het Tet-offensief markeerde het keerpunt van de oorlog. Hoewel men, uit het feit dat er geen algemene opstand was uitgebroken, in het Westen de conclusie trok dat de Vietnamese aanval was mislukt, was de Amerikaanse militaire strategie geheel in de war gebracht en had de Amerikaanse zelfverzekerdheid een zware slag gekregen. De slagen om Cholon en Hue toonden aan dat het Bevrijdingsleger er met succes in geslaagd was verzetskernen in de steden op te bouwen. Ook was duidelijk dat het offensief niet zonder de voorkennis van en de stilzwijgende medewerking van de bevolking had kunnen worden voorbereid.
In de eerste plaats psychologisch: bewezen was dat de verzetsbeweging niets van haar aanvalskracht verloren had. Het prestige van het Saigon-bewind en het geloof in de Amerikaanse onoverwinnelijkheid was onherstelbare schade toegebracht: zowel het aantal toetredingen tot het Bevrijdingsfront als het aantal deserties uit het Zuidvietnamese regeringsleger nam aanzienlijk toe. In de tweede plaats boekte het Bevrijdingsleger ook een belangrijke militaire overwinning, doordat de Amerikanen en hun bondgenoten om de steden en de bases te beschermen, een groot deel van het platteland dat zij nog beheersten, hadden moeten prijsgeven.
Een keerpunt in de oorlog maar niet het einde: tenslotte konden de Verenigde Staten het zich permitteren door te gaan.

  • De gevolgen van het Tet-offensief

Het Tet-offensief heeft een eind gemaakt aan de Amerikaanse escalatie van de oorlog en heeft impliciet ook de politieke doelstellingen beïnvloed. Washington werd gedwongen tot een herziening van zijn strategie. Het was gebleken dat het optimisme van Westmoreland overdreven was en dat de communisten niet op het punt stonden de strijd op te geven. De generaal vroeg om een versterking van 200.000 man boven de reeds toegezegde 525.000.
Dat was niet meer te realiseren zonder grote aantallen reservisten op te roepen en belastingverhoging door te voeren: (de kosten van de Vietnam-oorlog zouden 35 miljard dollar per jaar gaan bedragen op een oorlogsbegroting van 90 miljard.) Johnson was bereid om 35.000 tot 50.000 soldaten extra te sturen om een politieke oplossing mogelijk te maken. Dat was niet genoeg om een militaire oplossing te forceren.
Bijzonder verontrustend voor de Amerikaanse regering was dat de publieke opinie omsloeg. Volgens peilingen van november 1967 bleef 45 % van de ondervraagden zijn steun geven aan de oorlog in Vietnam. In februari 1968 was dat nog maar 26 %. In maart 1968 verklaarde 78 % van de ondervraagden ervan overtuigd te zijn dat de Verenigde Staten in Vietnam waren vastgelopen.
Op 31 maart 1968 kondigde Johnson op de televisie aan dat de bombardementen op Noord-Vietnam beperkt werden tot ten zuiden van de 20ste breedtegraad en dat hij aan de onderhandelingstafel naar een oplossing van het conflict zou streven. Deze mededeling was het gevolg van het gebroken moreel van de Amerikaanse soldaten na de massale aanval van de Vietcong, van het advies van de minister van defensie om naar wegen te zoeken om aan deze martelgang een einde te maken en van het verzoek van Westmoreland om nog eens 200.000 man. Verder maakte hij bekend dat hij niet herkiesbaar was voor een tweede ambtstermijn.Vrijwel iedereen die bij de besluitvorming rond de oorlog betrokken was, afgezien van de kleine kring rond Johnson, had het vertrouwen in het Vietnamese avontuur verloren.

  • De Vietnamisering

President Johnson stopte de bombardementen op Noord-Vietnam en hij stelde zich niet herkiesbaar, maar werd opgevolgd door Nixon die de oorlog in Zuid-Vietnam voortzette met hetzelfde doel: de vernietiging van het Bevrijdingsfront, maar met andere middelen namelijk de ‘vietnamisering’. De Amerikaanse grondtroepen werden geleidelijk teruggetrokken en vervangen door inderhaast opgeleide en bewapende strijdkrachten van het Saigon-regime. Maar de luchtmacht bleef en het was dit wapen waar sinds het begin van 1969 de grootste nadruk op werd gelegd. De bombardementen waren er om het volk van Zuid-Vietnam murw te maken en het Bevrijdingsfront tot overgave te dwingen. De intensivering van de bombardementen en de uitbreiding van het Zuidvietnamese leger voltooiden de vernietiging van de traditionele Zuidvietnamese samenleving.
Nixon en Kissinger wisten echter met de Vietnamisering precies te bereiken wat ze hadden willen bereiken. De toestand in Zuid-Vietnam stabliseerde zich, zodat een overwinning van de Vietcong voorlopig van de baan was.

  • De luchtaanvallen

Acht jaar lang (tot januari 1973) beheerste het Amerikaanse luchtoffensief het dagelijkse, economische, sociale, culturele en psychische bestaan van het Noordvietnamese volk.
Acht jaar van bijna ononderbroken bombardementen die dood en verderf zaaiden in uitgebreide gebieden. In Noord- en Zuid-Vietnam zijn meer bommen gegooid dan op Europa gedurende de Tweede Wereldoorlog. Volgens betrouwbare berekeningen hebben de Amerikanen in de periode 1965 - 1968 voor zes miljard dollar uitgegeven  om in Noord-Vietnam voor 600 miljoen dollar schade aan te richten. Alle booby-traps van de Vietcong werden met behulp van onontplofte bommen en granaten gefabriceerd.
In die acht jaar werden boven het land ongeveer vier miljoen ton bommen afgeworpen.
Ten zuiden van de 21 breedtegraad werden alle steden en dorpen, alle fabrieken en bruggen aangevallen en grotendeels verwoest. Hele steden, zoals Vinh, Phuly en Tanh Hoa, werden van de kaart geveegd. Van Haiphong en Namdinh resten alleen ruïnes.
Om de bevolking te beschermen werden een groot aantal ondergrondse schuilplaatsen gebouwd. Deze varieerden van eenvoudige betonbuizen voorzien van deksels (deze boden bescherming tegen bomscherven, niet tegen voltreffers) tot goed geventileerde en diep uitgegraven grote schuilkelders, waar de bevolking lange tijd achtereen kon verblijven, werken, eten en rusten. Een uitgebreid stelsel van loopgraven en gangen verbond niet alleen schuilkelders onderling, maar ook fabrieken, dorpen en scholen die ondergronds waren in gericht, met elkaar. Hierdoor kon het leven, zelfs tijdens langdurige aanvallen, tamelijk normaal doorgaan. De bombardementen richten verschrikkelijke verwoestingen aan, maar de wilskracht van het Noordvietnamese volk werd er niet door gebroken. Behalve aan de kust (waar vliegtuigen van de schepen opstegen en altijd verrassings aanvallen konden uitvoeren) werd de bevolking steeds tijdig gewaarschuwd bij nadering van vijandige vliegtuigen. Het verlies aan mensenlevens kon daardoor betrekkelijk laag gehouden worden, gezien de hoeveelheid aanvallen en tonnen bommen.
Sinds 1961 gebruiken de Amerikanen ontbladeringsmiddelen zoals "Agent Orange" en herbiciden om de vijand te beletten zich te verschuilen en om de directe omgeving van de bases, de vliegvelden en de wegen beter te kunnen bewaken. Een derde van de Vietnamese bossen is getroffen. Hetzelfde geld voor het bouwland en de fauna. Hier was sprake van het vernietigen van een ecologisch systeem, ‘ecocide’. Agent Orange bleek achteraf kankerverwekkend te zijn.
Na 1967 ging de Amerikaanse luchtmacht op grote schaal over tot het gebruik van fragmentatiebommen. Het doel was niet langer het vernietigen van gebouwen, maar het doden, verwonden en verminken of demoraliseren van mensen. De bevolking moest daartegen beschutting zoeken door zich aan het oog van de vliegers te onttrekken (camouflage). Stro was een veel gebruikt camouflage materiaal.
In februari 1971 gaven de Amerikanen uitgebreide luchtsteun toen het Zuidvietnamese leger Laos binnentrok. Deze luchtsteun kon niet verhinderen dat het Zuidvietnamese leger een zware nederlaag leed.
In april 1972 besloot Nixon de bombardementen op Noord-Vietnam te hervatten als vergelding voor een Noordvienamees offensief in het noorden van Zuid-Vietnam.
In december 1972 gaf Nixon opnieuw opdracht tot zware bombardementen om de druk op de Noord-Vietnamese regering op te voeren zodat zij betere garanties voor de voorlopige continuering van het bewind in Saigon, bij een evt. Vrede, zouden geven. Eind december werden de bombardementen boven de 20e breedtegraad gestopt omdat de Amerikanen zeer zware verliezen leden.
Op 23 januari 1973 werd een wapenstilstandsovereenkomst getekend die niet wezenlijk verschilde van de overeenkomst die eind oktober al was bereikt.
De Amerikaanse interventie in Vietnam was ten einde. De bombardementen op Cambodja gingen echter door. 15 Augustus 1973 staakten de Amerikanen, na tussenkomst van het Congres, alle militaire acties in Zuid-Oost Azië. Zuid-Vietnam bestond nog twee jaar. Op 30 april 1975 gaf het bewind in Saigon zich over aan de communisten.

  • Nixon

Richard Nixon en zijn intelligente, publiciteitsbewuste adviseur in veiligheidszaken Henry Kissinger, hadden bij hun aantreden in januari 1969 het voornemen de Amerikaanse buitenlandse politiek te ontdoen van de tekortkomingen die tot de echec in Vietnam hadden geleid.
Het nutteloze avontuur in Vietnam was voornamelijk het gevolg, meenden Nixon en Kissinger, van het Amerikaanse onvermogen een onderscheid te maken tussen wat wel en wat niet van wezenlijk belang was voor de Amerikaanse veiligheid. Zij zagen heel scherp dat de Verenigde Staten veel beter moest definiëren wat hun werkelijke veiligheidsbelangen waren. De Amerikaanse buitenlandse politiek moest concreet en specifiek zijn, niet globaal en ideologisch.
Van nu af volgenden de Verenigde Staten de ‘détentie-polititek’. Dit is een nieuwe vorm van containment-politiek, waarbij een goede onderlinge verstandhouding, op basis van intensieve diplomatieke contacten, de plaats nam van de militaire afschrikking. In directe samenhang met de détentie-politiek introduceerde Kissinger het begrip ‘linkage’, d.i.  Alles hangt met alles samen in de wereld.
Het enige wat volgens Kissinger van essentieel belang was voor de veiligheid van de VS was het gedrag van de Sovjetunie. De détentie-politiek was vooral gebaseerd op een betere verstandhouding met de Sovjetunie.
De Sovjetunie was mede verantwoordelijk voor de wereldorde en moest  er voor zorgen dat de landen waarop zij invloed kon uitoefenen zich rustig hielden.
Dat wilde natuurlijk niet zeggen dat de Amerikanen nu af konden zien van de militaire afschrikking. Het betekende wel dat Kissinger en Nixon konden besluiten om de Fata Morgana van Amerikaanse militaire superioriteit te laten voor wat zij was.
Op basis van gelijkwaardigheid zijn onderhandelingen tussen de VS en de Sovjetunie over wapenbeperking gestart. In 1972 resulteerde dit in het SALT (Strategic Arms Limimtation Talks) verdrag dat in Moskou werd ondertekend. De belangrijkste bepaling van het SALT-verdrag was, dat het aantal intercontinentale raketten werd bevroren.

  • Beperking van de interventie in Vietnam

Nixon kwam verder in Moskou overeen, tijdens de onderhandelingen over het SALT-verdrag, dat Amerikaanse interventie in Vietnam beperkt en geleidelijk verminderd zou worden. Deze hadden een merkbare invloed op het Amerikaanse defensiebudget. In 1970 gaven de Amerikanen 8,2% van  hun nationaal inkomen aan defensie uit, in 1977 was dat nog maar 5,2%.
Twee dingen waren in het voorjaar van 1969 duidelijk: de Verenigde Staten konden niet winnen in Vietnam en op niet al te lange termijn zouden de Amerikaanse troepen teruggetrokken moeten worden, gezien de buitenlandse oppositie. Toch wilde Nixon niet de indruk wekken dat de Verenigde Staten verloren hadden. Om dat te bereiken moest hij ervoor zorgen dat het Zuid-Vietnamese regime nog enige tijd op de been bleef, het liefst nog enige jaren nadat de Amerikanen vertrokken waren. Het allermooiste zou zijn als het regime als nog gered kon worden. Al deze doelstellingen zouden gerealiseerd kunnen worden, dacht Nixon, door de oorlog te Vietnamiseren. Terwijl de Amerikaanse troepen geleidelijk werden teruggetrokken zou het Vietnamese leger enorm worden uitgebreid. De militaire positie van de Zuidvietnamezen kon verder versterkt worden door de Amerikaanse bombardementen aanzienlijk op te voeren. Nixon bereikte met de Vietnamisering precies wat hij wilde. De toestand in Zuid-Vietnam stabiliseerde zich, zodat een overwinning van de Vietcong van de baan was. In juni 1969 konden de eerste Amerikaanse troepen worden teruggetrokken.
Omdat de hele Vietnam politiek van Nixon erop gericht was de Amerikaanse ‘credibility’ hoog te houden, was het van het grootste belang dat de Amerikanen geen weke, bange indruk zouden maken terwijl ze bezig waren hun troepenmacht af te bouwen. Om die reden zorgde Nixon, binnen het grotere patroon van de-escalatie, voor een aantal spectaculaire en onverwachte gewelddadigheden, die duidelijk moesten maken hoe groot de Amerikaanse wilskracht nog steeds was. Het begon in april 1970 met de invasie van Cambodja. De bedoeling van deze operatie was het hoofdkwartier van de Vietcong, dat zich volgens de Amerikanen in het zuiden van Cambodja bevond, te vernietigen. Omdat de Vietcong helemaal geen hoofdkwartier in Cambodja bleek te hebben, keerde de invasiemacht na enige tijd onverrichterzake terug in Zuid-Vietnam.
In april 1972 besloot Nixon de zware bombardementen op Noord-Vietnam te hervatten als straf voor een Noordvietnamees offensief in Zuid-Vietnam.

  • Protesten in Amerika

Vanaf het moment dat de Amerikaanse strijdkrachten in 1965 rechtstreeks aan de strijd in Vietnam gingen deelnemen was er een oppositie. Deze kwam in de eerste jaren vooral van de kant van de studenten, intellectuelen, kunstenaars en principiële pacifisten. De punten waartegen het protest zich in de eerste plaats richtte, waren:
1. De massale bombardementen op Noord-en Zuid-Vietnam. Want de Amerikaanse regering stelde dat je in een guerrillaoorlog moeilijk onderscheid kan maken tussen militaire en civiele doelen.
2. De chemische en biologische strijdmethoden die door de Amerikanen werden gebruikt; met name de ontbladering van grote gebieden, de napalmbombardementen en het verspreiden van ziektekiemen werden ronduit misdadig genoemd.
3. Het directe geweld dat tegen de Vietnamese bevolking werd gebruikt. Dit bestond uit de lichamelijke en geestelijke mishandeling van personen en groepen mensen en uit vernietiging van dorpen, voedselvoorraden en akkers.
4. Ook was er kritiek op de motivering die de Amerikaanse regering gaf voor haar aanwezigheid in Vietnam.

De eerste protestacties van enige omvang waren de teach-ins in augustus 1965 aan Amerikaanse universiteiten. Met de aankondiging van een uitbreiding van het aantal dienstplichtigen kregen de teach-ins een extra impuls. Verscheidene hoogleraren riepen studenten op tot ongehoorzaamheid. En een aantal oproepkaarten voor militaire dienst werden in het openbaar verbrand.
Op 16 en 17 oktober 1965 werden de eerste betogingen tegen de officiële Vietnampolitiek gehouden. In Berkeley (Californië) waren tienduizend mensen op de been. Zij voerden in de demonstratie leuzen mee als ‘USA uit Vietnam’ en ‘Geen imperialistische oorlogen meer’. Op 31 oktober schreven 650 hoogleraren aan Johnson een brief waarin zij hem vroegen ‘het bloedvergieten in Vietnam te staken’. Zij voegden daar nog aan toe dat zij zich met kracht zouden blijven verzetten tegen de toenmalige politiek in Vietnam.
Op 2 november verbrandde de quaker Norman Morrison zichzelf voor het Pentagon. Roger la Porte volgde een week later zijn voorbeeld voor het gebouw van de Verenigde Naties in New York. OP 27 november hielden 25.000 intellectuelen, kunstenaars en leden van kerkelijke groeperingen hun ‘Mars naar Washington’. Een tegen demonstratie bracht een groter aantal mensen op de been. Diezelfde dag werden ook elders in de wereld betogingen tegen de Amerikaanse Vietnampolitiek gehouden. Het was maar een klein deel van de bevolking die de oppositie vormden, maar door hun uitingen leek het een veel grotere groep.

Het jaar daarop bleef de oppositie groeien, evenals het aantal Amerikaanse militairen in Vietnam. In 1967 werd het protest massaal. Op 15 april van dat jaar betoogde in New York 125.000 mensen tegen Johnsons Vietnampolitie.  In de week van 16 tot 22 oktober vonden overal in de Verenigde Staten demonstraties plaats. Hierbij kwam het herhaaldelijk tot ongeregeldheden, met name bij rekruteringsburo’s van het leger waar dienstplichtigen hun oproep teruggaven of verbrandden. Het hoogtepunt in deze, door militante pacifisten georganiseerde week, was een protestmars van circa 100.000 mensen naar het Pentagon. Een stormloop op het gebouw ‘om de oorlogsmachine buiten werking te stellen’ werd afgeslagen. 700 deelnemers werden gearresteerd. In de week van 4 tot 10 december 1967 poogden pacifisten de rekruteringscentra te blokkeren.
Een gevolg van deze acties was dat op 10 juli 1968 de bekende kinderarts B. Spock, de studentenpastor W. Coffin, de schrijver N. Mailer en de student M. Ferber werden veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf: zij hadden dienstplichtigen advies en hulp gegeven om zich aan de dienstplicht te onttrekken en hen opgeroepen hun draftcards te vernietigen of terug te sturen.
De aankondiging van president Johnson op 31 maart 1968 dat hij de bombardementen op Vietnam zou laten staken, vredesonderhandelingen zou beginnen en zich niet herkiesbaar zou stellen voor een nieuwe ambtstermijn had overigens al voor de veroordeling van Spock en zijn drie medebeklaagden enige rust gebracht onder de tegenstanders van de Amerikaanse Vietnampolitiek in de Verenigde Staten en elders in de wereld. De acties buiten de VS hadden niet jo’n grote omvang, maar waren we| van groot belang voor de opinievorming in de verschillende landen. Ook Nederland kende zijn anti-Vietnam beweging.
De publieke opinie in de Verenigde Staten was in beweging. Op 11 juli 1966 meende 86% van de bevolking dat de bombardementen op Noord-Vietnam het einde van de oorlog sneller naderbij zou brengen; 54% steunde de Vietnampolitiek van Johnson. Op 28 augustus sprak 51% zich uit voor vredesonderhandelingen, terwijl nog maar 33% de wijze goedkeurde, waarop de oorlog gevoerd werd.

Nadat Johnson van het politieke toneel was verdwenen en Nixon de door hemzelf beloofde ‘vrede met ere’ niet zo snel kon verwezenlijken, laaide in de Verenigde Staten de tegenstand weer op. Op 15 oktober 1966 gaven ongeveer een miljoen jongeren gehoor aan de oproep die dag in actie te komen tegen de Nixons oorlog. De acties bestonden uit teach-ins, protestvergaderingen en marsen. In New York, Washington en Boston namen ruim 100.000 mensen hieraan deel. Volgens een opiniepeiling van 14 oktober 1969 werd Nixons Vietnampolitiek toen door 45% van de bevolking gesteund en door 50% verworpen. De organisatoren zetten hun acties voort. Voor 13, 14 en 15 november belegden zij een massale protestactie in Washington. De regering deed al het mogelijke om deze demonstratie te voorkomen. In de pers werd de regering verweten dat zij een confrontatie met de organisatoren uitlokte om hen in diskrediet te brengen. De twee door het "New Mobilization Committee to end the war in Vietnam" georganiseerde marsen, de ‘mars tegen de dood’ waarop de deelnemers de namen van in Vietnam omgekomen militairen meedroegen, en de ‘mars van honderdduizenden’, die zeker 300.000 deelnemers telde, verliepen op enkele incidenten na rustig.

De oppositie probeerde de publieke opinie te beïnvloeden via:
- petities
- demonstraties
- teach-ins
- verkiezingscampagnes
- weerstand tegen de dienstplicht
- vormen van opstand aan het eind van de oorlog

De regering had de keus om dienstweigeraars te negeren of om hen gevangen te zetten. Dit werden op den duur duizenden en potentieel tienduizenden dienstweigeraars.
Ouders braken, technisch gesproken, de wet door hun kinderen te adviseren om dienst te weigeren en door het weigeren van het betalen van hun belastingen.

Honderdduizenden keerden zich in hun hart tegen hun land, ze geloofden dat de oorlog zinloos was en wreed. Ze concludeerden dat de Amerikaanse democratie een schande was als zij geen alternatief bood voor een politiek waar zo’n brede oppositie tegen was. Ze werden zich ervan bewust dat de Verenigde Staten een wreed imperium was dat alleen geïnteresseerd was in geld en macht en dat alleen gesteund werd door militair geweld

In de periode dat de Amerikaanse militaire betrokkenheid in Vietnam en de oppositie hiertegen groeide gebeurde er veel tegelijk in de Verenigde Staten:
- Een scherpe en plotselinge verandering tussen de rassen.
- Het aannemen van progressieve wetgevingen, welke sinds 1930 aangehouden waren, deze werden gevolgd door de frustratie van het niet functioneren van de wetgeving.
- De bereidheid om bij de meest geaccepteerde instituties en principes vraagtekens te plaatsen.
- Een spontane beweging van de jongeren om de maatschappij te veranderen, af te wijzen en uiteindelijk te vernietigen.
- Een toename van emoties aan beide kanten waarbij beschuldigingen van verraad en/of genocide werden geuit.
- Toenemende atmosfeer van geweld, toenemende rellen, straatgevechten tussen politie en demonstranten.
- De moord op M. Luther King en Kennedy.

Al deze dingen speelden een rol in de opinie over de oorlog en waren in sommige opzichten zelfs  een consequentie van de oorlog.

Afschaffing van de dienstplicht
In juni 1969 kondigde Nixon aan dat de dienstplicht zou worden afgeschaft. Door deze maatregel nam Nixon de oppositie tegen de oorlog binnen twee jaar vrijwel alle wind uit de zeilen. De oppositie was namelijk erg afhankelijk van de inbreng van universitaire studenten, die er niets voor voelden in Vietnam te dienen. Met de dreiging van de dienstplicht verdween ook de animo om tegen de oorlog te demonstreren.
Dat de afschaffing van de dienstplicht ook de demonstraties tegen de oorlog zo goed als verdwenen, dachten Nixon en Kissinger dat men eigenlijk helemaal niet tegen de oorlog was. De oppositie was alleen tegen de dienstplicht.

  • Verzet van een onverwachte kant

Het congres had zich in alle jaren van de Koude Oorlog geschikt naar de wensen van de verschillende presidenten. De containment-politiek was vanzelfsprekend en de president moest maar zien hoe die het beste uitgevoerd kon worden. In de tweede helft van de jaren zestig was in het Congres, net als in de rest van het land, de eensgezindheid over de containment-politiek snel weggesmolten. De senaatscommissie voor buitenlandse zaken was steeds kritischer geworden over de interventie in Vietnam. De invasie in Cambodja bracht het  Congres tot een eerste daad van openlijk verzet. Er werd een wet aangenomen die het Nixon onmogelijk maakte om na 1 juli 1970 geld uit te geven voor acties in Cambodja. In december van dat jaar trok het Congres de ‘Golf van Tonkin-resolutie’ in. Dit had verder geen succes. Het Congres probeerde verdere uitbreiding van de oorlog te verhinderen door in het defensiebudget de bepaling op te nemen dat het ter beschikking gestelde geld niet gebruikt mocht worden voor offensieve acties in Laos en Cambodja. Acties van de luchtmacht vielen niet onder deze verbodsbepaling, zodat de invasie in Laos wel Amerikaanse luchtsteun kon krijgen.
In 1972 bracht het Congres alle gevoelens van ongenoegen over het eigenmachtig optreden van de president tot uitdrukking in de War Powers Act. Deze wet verplichtte de president om 30 dagen, nadat hij Amerikaanse troepen ergens had ingezet, daarover rekening en verantwoording af te leggen aan de volksvertegenwoordiging.

  • De onderhandelingen

Om de onderhandelingen enigszins te bespoedigen was Kissinger in 1969, eveneens in Parijs, geheime besprekingen begonnen met Le Duc Tho, een lid van de Noordvietnamese politburo. Deze besprekingen verliepen uiterst traag. De Amerikanen wilden een wapenstilstand en de toezegging van de Noordvietnamezen dat ze het regime in Zuid-Vietnam voorlopig zouden laten zitten. In ruil daarvoor zouden de Amerikanen al hun troepen terugtrekken en de macht van de Vietcong over grote gedeelten van Zuid-Vietnam erkennen.

In oktober 1972, twee weken voor de verkiezingen, kwam de mededeling dat een vredesakkoord, waarvan de onderhandelingen al sinds 1968 liepen, nu elk moment kon worden getekend. De besprekingen raakten na de overwinning van Nixon in een impasse omdat Nixon op het laatste moment betere garanties van de Noordvietnamezen wilde voor de voorlopige continuering van het bewind in Saigon. Om zijn wensen kracht bij te zetten gaf hij in december opdracht voor nieuwe, zeer zware bombardementen op Noord-Vietnam. Eind december werden de bombardementen gestopt omdat de Amerikanen zeer zware verliezen leden.
Op 23 januari 1973 werd een wapenstilstandovereenkomst getekend. Op 15 augustus 1973 staakten de Amerikanen alle militaire acties in Zuid-Oost Azië. Zuid-Vietnam bestond nog twee jaar. Op 30 april 1975 gaf het bewind zich in Saigon over aan de communisten.   De Amerikaanse interventie in Vietnam was ten einde.

  • Gevolgen van de Vietnamoorlog

Ondanks de verzekering van Nixon, bij gelegenheid van de ondertekening van het akkoord in januari 1973, dat hij een eervolle vrede had weten te bereiken, leden de Amerikanen in Vietnam de grootste nederlaag uit hun geschiedenis. Na jarenlange inspanningen ging Zuid-Vietnam toch verloren.
Als gevolg van de Amerikaanse interventie kwam het neutrale Cambodja in handen van de Rode Khmer, die een waar schrikbewind uitoefenden.
In de Amerikaanse binnenlandse politiek had de oorlog eveneens vreselijke gevolgen.
Johnson en zijn ‘Great Society’ waren eraan ten onder gegaan. De economie was in de greep van een schijnbaar niet te stoppen inflatie. De politieke verhoudingen waren sterk gepolariseerd. De uitvoerende macht had zich door de jarenlange geheimhouding, misleiding en illegale activiteiten tegen de tegenstanders van de oorlog, ontwikkeld tot een bedreiging van de constitutionele democratie.

De Wall Street Journal was in 1965 een van de eerste kranten die zich tegen de interventie in Vietnam uitsprak omdat zij van mening waren dat de effecten van de oorlog rampzalig waren voor de Amerikaanse Economie (inflatie) en de Amerikaanse betalingsbalans.

Als gevolg van de totale preoccupatie met de oorlog in Vietnam (president Johnson koos zelf de doelen uit die de Amerikaanse luchtmacht in Noord-Vietnam moest bestoken) was er vanaf 1965 vrijwel geen aandacht meer voor de andere sectoren van de buitenlandse politiek. Wat wezenlijk was voor de Amerikaanse veiligheid, de relatie met de Atlantische bondgenoten en met de Sovjetunie, werd zodoende verwaarloosd ten behoeve van wat in feite een perifere kwestie was.

 

Vragen of opmerkingen: redactie@kinderenwebhotel.be
Copyright © 2004 Kinderen (Deze gegevens mogen enkel en alleen gebruikt worden voor schooldoeleinden en op niet-commerciële basis, en niet als informatie voor websites. Enkel links zijn toegelaten. )
De redactie kan niet verantwoordelijk worden gesteld voor eventuele fouten, of op ingezonden werken.