Start
Omhoog

      Prehistorie

 

Mensen hebben het niet altijd zo luxe gehad als wij nu. Heel vroeger waren er nog geen steden, wegen en supermarkten. Hoe leefden de mensen toen? Daarover lees je hier meer.

Zo leefde de opa van je opa van je opa van je opa


Misschien vertellen je vader en moeder weleens over hoe ze vroeger leefden, nog voordat jij geboren was. In foto-albums kun je zien dat veel dingen er toen heel anders uitzagen. De mensen droegen andere kleren, ze hadden andere kapsels en reden in andere auto's.
Als je je opa en oma vraagt naar hn tijd, dan vertellen die weer een ander verhaal. Daarin zag alles er weer heel anders uit dan in de tijd van je vader en moeder. Hoe verder je teruggaat in het verleden, hoe groter de verschillen met nu.
Kijk voordat je verder leest eerst eens uit het raam. Wat zie je? Huizen, kantoren, wegen, bruggen, auto's... Je staat er helemaal niet meer bij stil dat bijna alles om je heen door mensen is gemaakt. Zelfs veel groen is geen echte natuur. De bomen en struiken zijn er door mensen geplant. Soms staan ze keurig in rijtjes. Net als de huizen in de dorpen en steden, waar de mensen bij elkaar wonen.
Je kunt het je haast niet voorstellen, maar er is een tijd geweest waarin er helemaal geen dorpen en steden waren. Er waren geen wegen, geen huizen zoals we die nu kennen. Mensen leefden niet met duizenden bij elkaar; ze trokken in kleine groepen door de bossen en velden, op zoek naar eten.
Dat is allemaal gebeurd op de plek waar jij nu woont.

Toen mensen nog niets opschreven


Als je heel diep in de grond graaft en precies weet waar je naar moet zoeken, kun je nog iets terugvinden uit die tijd. Die tijd noemen we de 'prehistorie'. Het betekent: vr de geschiedenis.
In de prehistorie konden de mensen nog niet opschrijven wat ze hadden beleefd. We hebben dus geen boeken of andere geschriften uit die tijd. We hebben het dan over een periode die zo'n twee miljoen jaar geleden begon.
Twee miljoen jaar: dat klinkt heel erg ver weg in het verleden. De mensen die toen leefden, zagen er heel anders uit dan de mensen nu. Ze waren bijvoorbeeld een stuk kleiner. Ook hadden ze veel haar op hun lichaam. Eigenlijk leken ze meer op grote apen dan op mensen. Beetje bij beetje gingen ze meer lijken op hoe we er nu uitzien. Ze gingen rechtop lopen, en daardoor hadden ze twee handen 'over'. Daarmee gingen ze werktuigen maken, zoals vuistbijlen. Dat is iets wat geen enkel dier de mens nadoet: gereedschap maken. Er gingen vele jaren overheen voor het zover was. We zeggen nu dat de moderne mens zo'n honderdduizend jaar oud is. De mensen die toen leefden, leken al veel meer op ons.

Rendierjagers, visjagers en boeren


Niet overal in de wereld kwamen meteen mensen wonen. Het gebied dat nu Nederland is, werd pas zo'n 14.000 jaar voor Christus (dat is dus 16.000 jaar geleden!) voor het eerst bewoond door rendierjagers. Het was er toen nog heel koud en er groeide weinig.
Later kwamen er meer bossen. De rendierjagers trokken naar het noorden. Mensen gingen ook jagen in moerassen en rivieren.
Rond 5000 voor Christus kwamen de eerste landbouwers uit andere delen van Europa. Maar drieduizend jaar later verdwenen de meesten. Toen werd er weer vooral in de bossen gejaagd. Wel hielden veel mensen er een lapje grond bij om wat gewassen te verbouwen en een beetje vee te houden. Op den duur gingen in Nederland boeren, visjagers en bosjagers naast elkaar wonen.

De dieren achterna


Een heel belangrijk verschil tussen het leven in de prehistorie en het leven nu, is het eten. In Nederland hoeven we niet ver te reizen om eten te vinden. We gaan gewoon naar de supermarkt om boodschappen te halen. Daar denken we nauwelijks nog bij na.
Maar stel je eens voor dat je vader elke dag het bos in moet om dieren te doden en te slachten. En dat je moeder ze boven een houtvuur braadt. Dat is waar de eerste mensen een groot deel van de dag druk mee waren. Ze jaagden op wilde dieren en verzamelden planten en knollen die ze konden eten. Ze brachten de buit naar een kamp, waar ze alles opaten. Als er geen wild meer in de buurt was, trokken ze verder. De mensen gingen dus de dieren achterna!
Natuurlijk hadden de eerste mensen geen geweren om dieren mee te schieten. Die waren toen nog niet uitgevonden. Ze hadden alleen hout, stenen en beenderen van dieren. Daarmee maakten ze pijlen, pijlpunten, speren en bijlen. Door bijvoorbeeld steeds met de ene steen op de andere te slaan, ontstonden er stenen met scherpe randen. Daarmee gingen de mensen de dieren te lijf.


Steeds meer boeren


Niet alle oude volkeren leefden van de jacht. Steeds meer mensen begonnen gewassen te verbouwen op het land. Ze werden boeren. Met zelfgemaakte werktuigen bewerkten ze de grond. Daarna strooiden ze er met de hand zaadjes in van tarwe en gerst.
Later gebruikten de mensen koeien om ploegen voort te laten trekken. Ze hielden het vee ook voor de melk en voor het vlees. Zo konden de mensen voor hun eigen eten zorgen en hoefden ze niet steeds rond te trekken. Er kwamen steeds meer boeren en steeds minder jagers.

Muren van huid


Om in de prehistorie te overleven, moesten de mensen handig en slim zijn. De eerste mensen hadden bijvoorbeeld geen mooie woningen van bakstenen, zoals nu. Ze maakten hun huis van wat ze in de natuur vonden.
Stokken en beenderen van dieren zetten ze overeind in de grond. Daarna bonden ze er huiden van dieren omheen. Om te voorkomen dat alles wegwaaide, maakten ze de hutten steviger met beenderen van bijvoorbeeld de mammoet. Dat was een grote behaarde olifant die in die tijd leefde.
Ook woonden er mensen in grotten onder de grond. Daar waren ze beschut tegen slecht weer. Later werden de huizen steeds steviger gebouwd, omdat de mensen er langer bleven wonen.

Een vuurtje stoken


Overdag waren de mannen dikwijls op jacht, of ze bewerkten hun stukje land. De vrouwen en kinderen bleven meestal in de buurt van het kamp of dorp. Daar zochten ze naar vruchten of naar kleine dieren die ze ook konden eten. Ze maakten de maaltijd klaar boven een vuur.
Dat vuur was er niet zomaar. Lange tijd hebben mensen niet geweten hoe ze zelf vuur konden maken. Waarschijnlijk hebben ze het eerste vuur met takken 'meegenomen' van de brand die bij een blikseminslag ontstond.
Later bedachten ze een middel om zelf vuur te maken. Ze draaiden een rond stokje tussen hun handen heel snel rond. De onderste punt van het stokje raakte een plankje, dat door de hitte in brand vloog. Door droge takjes onder het plankje te leggen, kon er een vuurtje worden gestookt.
Water werd gekookt door er hete stenen in te doen die een poos in het vuur hadden gelegen. Een heel gedoe. Maar wat moet je anders als er nog geen lucifers en aanstekers zijn?

Kleren van schapenwol


Mensen denken vaak: de eerste mensen die op aarde rondliepen, dat waren halve beesten. Ze hadden nauwelijks beschaving. Ze konden niet eens schrijven! Voor een deel is dat wel waar. Maar er zijn ook veel dingen die de mensen toen wl konden.
Er waren volkeren die de wanden van de grotten waarin ze woonden heel mooi beschilderden. Ook werden er veel sieraden en beeldjes gemaakt uit steen en uit beenderen van dieren.
Toen het in sommige delen van de wereld kouder werd, weefden de mensen hun eigen kleren van schapenwol. Ze gebruikten zelfs verfachtige stoffen om de wol te kleuren. Die stoffen haalden ze uit planten.
Ook werden er steeds meer schilderingen op het lichaam aangebracht.

Steen, brons, ijzer


De prehistorische mensen deden ook steeds meer ontdekkingen. Daardoor werd hun leven een stukje aangenamer. De 'ontdekking' van het vuur maken noemden we al. Stenen gebruikten ze ook al voor van alles.
Zo'n vierduizend jaar geleden vonden de mensen uit hoe ze koper en tin moesten mengen. Er kwam brons uit, en daarmee konden ze allerlei nieuwe gereedschappen maken. Brons werd verhit zodat het vloeibaar werd, en daarna in een stenen vorm gegoten. Zo werden bijvoorbeeld zwaarden gemaakt, en ook sieraden.
Later werden wapens en grote werktuigen meestal van ijzer gemaakt. Dat was goedkoper en steviger.
Zo zie je dat de prehistorie eigenlijk uit drie delen bestaat: de steentijd, de bronstijd en de ijzertijd. Alles werd steeds een beetje moderner.

Puzzels in de grond


Misschien vraag je je af hoe we zoveel kunnen weten over het leven van de mensen toen. Het is al zo lang geleden, en ze konden nog niet schrijven! Dat klopt, en over de prehistorie weten we dan ook een stuk minder dan over de tijd die daarna kwam. Eigenlijk is er maar n manier om te weten te komen hoe de mensen in de prehistorie leefden: door te kijken naar de spullen die ze achterlieten.
'Archeologen' zijn mensen die op zoek gaan naar spullen uit het verleden. Zo proberen ze meer over de mensen van toen te weten te komen.
Hoe doen ze dat? Allereerst moet je weten dat bijna alle spullen uit het verleden diep in de grond terecht zijn gekomen. Op de plek waar in de prehistorie een dorpje was, is later misschien een groter dorp gebouwd. Op de plek waar eerst hutjes stonden, kwamen huizen te staan. Nog veel later misschien wel flatgebouwen. Meestal geldt: hoe dieper je graaft, hoe ouder de spullen zijn die je vindt.
Uit de prehistorie zijn niet zo gek veel spullen bewaard gebleven. Het materiaal waarvan de hutten werden gemaakt, is vergaan. De mensen zelf ook. Er zijn wel graven uit de prehistorie gevonden. Maar van de botten is meestal niet veel meer over.
In 1974 werd in Afrika het skelet opgegraven van een vrouw uit de prehistorie. Bijna de helft van haar beenderen was nog terug te vinden. Na een heleboel gepuzzel hebben archeologen toen uitgedokterd hoe Lucy - zo werd de vrouw genoemd - er ongeveer uit kan hebben gezien.
De onderzoekers kijken vooral naar de vorm en de inhoud van de schedel. Hoe groter die is, hoe meer hersenen erin hebben gezeten. Hoe meer hersenen, hoe verder de mensen waren ontwikkeld.

Splinters en verkleurde plekken


Met botten van prehistorische mensen zijn archeologen heel erg blij. Meestal vinden ze vooral werktuigen van steen. Je moet goed getraind zijn om die te herkennen.
Is een steen bijvoorbeeld plat met opvallend scherpe randen? Dan kan het een stuk prehistorisch gereedschap zijn. Het kan bedoeld zijn geweest om vlees te snijden, om wortels op te graven of om weer ander gereedschap te maken.
Een steensoort die zich op deze manier goed liet bewerken, was vuursteen. De splinters die tijdens het maken van de werktuigen af werden geslagen, werden niet weggegooid. Ze kwamen vaak goed van pas, bijvoorbeeld om de huiden van dieren schoon te schrapen. Ook die 'schrapers' willen de archeologen goed bekijken. Daardoor weten ze waar een prehistorische stam zich mee bezig hield.
Behalve werktuigen van vuursteen vinden archeologen ook vuistbijlen en speerpunten. Ook daaraan is te zien dat ze heel zorgvuldig scherp zijn gemaakt door er met andere stenen op te slaan. Zulk werk zal vaak in een kamp of dorp zijn gebeurd. Resten van gereedschap en wapens liggen dan ook dikwijls niet al te ver van elkaar verwijderd.
Archeologen kunnen soms zelfs precies vertellen hoe groot een prehistorisch dorp is geweest. Dat kunnen ze zien doordat de hutten sporen in de grond hebben achtergelaten. Het zand is verkleurd op de plaatsen waar bijvoorbeeld houten palen in de grond hebben gestaan. Zo kunnen de onderzoekers zien hoe groot de hutten zijn geweest. En hoe ze van binnen waren ingedeeld: waar de mensen sliepen en waar de stal voor het vee was. Ook is vaak te zien waar de mensen vroeger hun vuurtjes hebben gestookt. In en rond zo'n haardkuil vinden archeologen dikwijls spullen die vroeger werden gebruikt.

Graven met geduld


Wie archeoloog wil worden, moet ontzettend veel geduld hebben. Je moet zeker niet meteen gaan spitten zodra je ergens in de grond iets ziet liggen. Een goede archeoloog tekent eerst op de kaart aan waar hij iets vindt. Dan gaat hij heel voorzichtig aan de slag.
Met kleine schepjes en borsteltjes veegt hij zand weg. Ieder interessant steentje, botje of scherfje wordt van dichtbij bekeken. Als de archeoloog spullen meeneemt uit de grond (alleen met handschoenen oppakken!), dan wordt er vaak een foto of tekening van gemaakt.
Als een vindplaats helemaal is afgezocht, wordt hij dikwijls weer afgedekt. Dat is niet altijd erg. De archeologen willen vooral weten wat er op welke plek heeft gelegen. Het zijn geen schatgravers! Vaak moeten de onderzoekers aan de kant omdat er een nieuw gebouw op het stuk grond wordt gezet.
Archeologen zijn er vaak ook als de kippen bij als een boer zijn veld omploegt. Dan komen er altijd wel dingen van vroeger naar boven. Natuurlijk kunnen de archeologen niet bljven zoeken. De boer moet wel weer zijn land kunnen gebruiken!
Niet alle dingen uit de prehistorie zitten onder de grond. Ga maar eens kijken naar de hunebedden in Drenthe. Dat zijn speciale bouwwerken die over het graf van een overledene werden neergezet. Er werden enorme stenen voor gebruikt.
Je ziet dan ook dat de mensen het toen heel belangrijk vonden dat de doden goed werden behandeld. Ze kregen allerlei spulletjes mee in het graf, zoals sieraden, gereedschap en voedsel. Die zouden handig kunnen zijn voor een leven n de dood. Daar werd heel sterk in geloofd.
Archeologen vinden regelmatig zaadjes van planten in prehistorische graven. Daardoor kunnen ze zien wat de mensen toen aten, en welke planten er groeiden. Het zijn echte speurders, die archeologen. En ze zijn nog lang niet klaar, want de eerste mensen hebben ons nog hl veel te vertellen!

 

            

 

Vragen of opmerkingen: redactie@kinderenwebhotel.be
Copyright 2004 Kinderen (Deze gegevens mogen enkel en alleen gebruikt worden voor schooldoeleinden en op niet-commercile basis, en niet als informatie voor websites. Enkel links zijn toegelaten. )
De redactie kan niet verantwoordelijk worden gesteld voor eventuele fouten, of op ingezonden werken.