Start
Omhoog

 

Nederland

  

 

1.DE POLITIEKE SITUATIE VAN NEDERLAND.

  

A. DE BINNENLANDSE POLITIEK.

HET STATUUT.

Het statuut van het Koninkrijk der Nederlanden stamt uit 1954 en is de hoogste staatsregeling. Het bepaald sinds 1986 dat Nederland, de  Nederlandse Antillen(Bonaire, Curaçao, Saba,

Sint Eustatius en Sint Maarten) en Aruba gelijkwaardige partners binnen  het koninkrijksverband zijn.

Het koninkrijk kan gezien worden als een vorm van federatie. Rijkswetgeving is alleen vereist als een regeling op het territoir van Nederland(het Europese deel van het Koninkrijk) en de Antillen en Aruba werkt. Het koninkrijk behartigt onder meer de handhaving van de onafhankelijkheid, de defensie en de buitenlandse betrekkingen. Enkel wanneer een verdrag één van de landen ‘raakt’ wordt het bij de totstandkoming ervan betrokken.

De Nederlandse koning is hoofd van het koninkrijk en van de drie delen afzonderlijk. De Nederlandse Antillen en Aruba hebben elk een gouverneur die de koning vertegewoordigt.

De Nederlandse ministerraad fungeert als de ministerraad voor het koninkrijk, aangevuld met gemachtigde ministers voor de overzeese gebiedsdelen.

De Rijkswetgeving wordt tot stand gebracht door de koninkrijksregering in samenwerking met de Staten-Generaal.De Raad van State en de Hoge Raad van het koninkrijk zijn de twee andere rijksorganen.

Volgens het statuut is de staatsinrichting van Nederland geregeld in de grondwet, de Nederlandse Antillen en Aruba hebben elk een eigen staatsregeling.

  

DE GRONDWET.

De grondwet is het fundament van de Nederlandse rechtsorde. De uiteindelijke oorsprong van de macht wordt er niet in aangeduid, evenmin komen er onveranderbare beginselen aan de orde. Wel zijn er een aantal leidende principes in vervat:  -de monarchie

 -de representatieve democratie

 -de rechtsstaat

-de gedecentraliseerde eenheidsstaat

 

De monarchie als regeringsvorm.

Er is sprake van een regering gevormd door de ministers met hun staatssecretarissen EN door het staatshoofd (koning of koningin). Deze vorm van monarchie, waar ook het staatshoofd deel uitmaakt van de regering is in andere Europese landen niet gebruikelijk waar zoals in België de regering slechts uit ministers bestaat.

Sinds 1848 is Nederland een constitutionele monarchie met een parlementair stelsel.

Dit alles betekent dat de grondwet de macht van de erfelijke vorst bepaalt en de verdeling regelt van de regeringsbevoegdheid tussen staatshoofd en overheidsinstanties.

Het zijn enkel de ministers die aan de volksvertegenwoordigers verantwoording verschuldigd zijn voor het doen en laten van de regering. Het staatshoofd draagt hierbij (hoewel hij ook tot diezelfde regering behoort) geen politieke verantwoordelijkheid en kan dus door het parlement niet ter verantwoording worden geroepen.

 

Het staatshoofd.

Voor het staatshoofd zijn er verschillende taken weggelegd. Zo is hij verantwoordelijk voor de troonrede, een uiteenzetting van de plannen van de regering voor het komende jaar. Dit vindt plaats op Prinsjesdag, het begin van het parlementaire jaar op de derde dag van september.

De koning heeft ook een belangrijke rol bij de totstandkoming van de kabinetten(een samenwerking van ministers en staatssecretarissen). Na de verkiezingen zal de koning de fractieleiders, de voorzitters van de eerste en tweede kamer van het parlement en de vice-voorzitter van de Raad van State raadplegen. Op hun advies kan  hij een informateur aanstellen die nagaat welke partijen tot samenwerking bereid zijn. Het resultaat van de onderhandelingen tussen die partijen is een zgn. regeerakkoord, het beschrijft de plannen van de coalitie voor de komende regeerperiode van vier jaar.  Vervolgens benoemt hij een formateur die de opdracht krijgt een kabinet samen te stellen. Een formateur wordt tevens meestal minister-president in de nieuwe regering.

Na afloop van hun eerste vergadering zal de koning de nieuwe ministers beëdigen, ze worden hierdoor bij koninklijk besluit benoemd.

Naast deze formele opdrachten is het staatshoofd ook regelmatig in overleg met de minister-president, andere bewindslieden en vooraanstaande personen uit het economische en culturele leven.

 

De ministerraad.

Alle ministers samen vormen de ministerraad, met als voorzitter de minister-president. Deze  staan in voor het uitvoeren van de taken van de regering. Dit is onder meer:

-het dagelijks bestuur.

-de voorbereiding van wetgeving.

-de uitvoering van de wetten.

-het toezicht op gemeenten en provincies.

-het onderhouden van buitenlandse betrekkingen.

Er zijn in totaal 15 ministers die verantwoordelijk zijn voor volgende onderwerpen:

-algemene zaken

-binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties

-grote steden en integratiebeleid

-buitenlandse zaken

-ontwikkelingssamenwerking

-defensie

-economische zaken

-financiën

-justitie

-landbouw, natuurbeheer en visserij

-onderwijs, cultuur en wetenschap

-verkeer en waterstaat

-sociale zaken en werkgelegenheid

-volksgezondheid, welzijn en sport

-volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieu

De ministers van ontwikkelingssamenwerking en de minister van grote steden en integratiegebied zijn ministers zonder portefeuille, d.w.z. dat ze geen leiding aan een ministerie geven. Ontwikkelingssamenwerking is verbonden aan het ministerie van buitenlandse zaken. Grote steden en integratiebeleid op hun beurt verbonden aan het ministerie van binnenlandse zaken.

 

De staatssecretarissen.

Naast de ministers zijn er ook staatssecretarissen. Deze nemen een deel van de taken van de ministers over maar ze behoren echter niet tot de ministerraad. Ze vormen samen met de ministers het kabinet.  

 

Een representatieve monarchie.

Iedere Nederlandse staatsburger van 18 jaar en ouder heeft het recht zijn stem uit te brengen tijdens de rechtstreekse verkiezingen van de tweede kamer en het recht zich verkiesbaar te stellen voor het parlement.

Het parlement of de Staten-Generaal bestaat uit twee kamers:

-De eerste kamer die bestaat uit 75 leden die indirect verkozen worden door vertegenwoordigers van de provincie, de leden van de Provinciale staten.

-De tweede kamer die 150 leden telt.

De grondwet bepaalt dat iedere vier jaar verkiezingen van de eerste en tweede Kamer worden gehouden.

Beraadslagingen en besluiten kunnen enkel plaatsvinden indien meer dan de helft van het aantal leden van de vergadering aanwezig is. Besluiten worden enkel genomen bij meerderheid van stemmen.

Samen met de koning en de ministers vormt het parlement de wetgevende macht.

 

De uitvoerende macht berust bij de regering maar ze is hiervoor verantwoording verschuldigd aan het parlement. Opdat de ministers kunnen regeren is er vertrouwen nodig van het parlement. Na een kabinetsformatie legt de minister-president in de tweede kamer een regeringsverklaring af. De kamer brengt vervolgens deze verklaring ter stemming. Eens  het kabinet het vertrouwen van de kamer krijgt kan het met zijn werkzaamheden beginnen.

Ministers genieten dit vertrouwen totdat het parlement een motie van wantrouwen indient.

 

De eerste en tweede kamer heeft vier middelen ter beschikking om de uitvoerende macht te controleren.

Het begrotingsrecht: dit is het recht om de door de regering ingediende begroting van alle inkomsten en uitgaven van het rijk vast te stellen.

Het recht op interpellatie: een lid dat over een bepaald onderwerp een discussie wenst met de minister moet daarvoor een aanvraag doen aan de kamer. (Deze verzoeken worden zelden geweigerd).

Het recht ministers en staatssecretarissen vragen te stellen: wat schriftelijk in de eerste kamer en mondeling tijdens het ‘vragenuurtje’ in de tweede kamer kan gebeuren.Een minister mag echter weigeren te antwoorden indien hierdoor het staatsbelang op het spel staat.

Het recht van onderzoek: het parlement kan onafhankelijk een onderzoek naar een bepaalde zaak instellen. Men mag personen voor verhoor oproepen en hun verklaringen onder ede laten afleggen. Alleen ministers zijn hierop een afzondering.

De kamers kunnen ook moties aannemen waarin ze vastleggen wat ze wenselijk achten, zonder dat daar om gevraagd is. Een motie moet hiervoor tenminste door vijf kamerleden worden gesteund. 

De uitvoerende macht is niet verplicht om een aangenomen motie uit te voeren, maar een zgn. motie van wantrouwen kan het kabinet er echter toe dwingen af te treden.

 

Naast deze middelen kan de tweede kamer nog gebruik maken van een aantal aanvullende rechten:

Het recht van amendement: dit is het recht wetsvoorstellen te wijzigen. De betrokken minister kan amendementen overnemen of onaanvaardbaar verklaren. De kamer kan akkoord gaan met de intrekking van het amendement, maar kan ook haar ongenoegen uiten door een motie van wantrouwen.

Het recht van initiatief: een kamerlid of enkele kamerleden samen kunnen een wetsvoorstel indienen.

 

Noot: de leden van de staten generaal zijn onschendbaar, d.w.z.dat ze niet kunnen vervolgd worden voor hetgeen ze in de kamer of commissievergaderingen hebben gezegd of aan de kamer schriftelijk hebben voorgelegd.

 

De rechtsstaat.

Uit het Nederlandse constitutionele recht zijn alle basiselementen van de rechts-

staatgedachte te distilleren.

Een belangrijke voorwaarde voor de rechtsstaat is het legaliteitsbeginsel, dat de overheid  verhindert willekeurig te handelen. Op grond hiervan dient elk overheidsoptreden in Nederland te berusten op een algemene,  wettelijke regel. Het optreden moet tevens op gebied van inhoud en procedure conform die algemene regel zijn.

Een ander basiselement zijn de grondrechten die een voorname rol spelen in de Nederlandse Grondwet.  Artikel 1 luidt: "Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.”

                                                             (Grondwet voor het koninkrijk der Nederlanden 1996)

De klassieke grondrechten  verklaren bepaalde privé-sferen vrij van overheidsbemoeienis. De sociale grondrechten scheppen juist overheidsverplichtingen.

Tenslotte wordt de rechtsstaat getypeerd door het principe van de scheiding der drie machten.

In Nederland werd dit bij de grondwetswijziging van 1848 ingevoerd. De onafhankelijkheid van de rechterlijke macht is hiervan een belangrijk onderdeel.

 

De rechtspraak in civiele zaken en strafzaken berust op  -61 kantongerechten

                                                                                         -19 arrondissementsrechtbanken

                                                                                         -5  gerechtshoven

                                                                                         -De Hoge Raad.

De Hoge Raad is het hoogste rechtscollege in Nederland op civielrechtelijk- en strafrechtelijk gebied. Het kan uitspraken van lagere rechters vernietigen. Men moet toezien op de eenheid van rechtstoepassing. Deze Raad kan uitspraken doen in zaken die in de Nederlandse Antillen of Aruba zijn behandeld. Nederland huldigt het ‘monisme’, een opvatting dat nationaal en internationaal recht één rechtsorde vormen.

 

Noot: De Nederlandse grondwet sluit juryrechtspraak en de doodstraf uit.

De gedecentraliseerde eenheidsstaat.

 

Het bestuur in Nederland is ingedeeld in drie bestuurslagen:

-rijk          à     zaken van nationaal belang.

-provincies     à     zijn decentrale overheden.

-gemeenten            

Daarnaast zijn er ook de waterschappen die een functionele bevoegdheid hebben.

 

 

12 provincies:

De provincies hebben taken op gebied van milieubeheer, ruimtelijke ordening, energievoorziening, maatschappelijk werk, sport en cultuur. Het algemeen bestuur wordt gevormd door:-de provinciale staten

                       -het college van gedeputeerde staten

                       -en de commissaris van de Koning(in)

 

548 gemeenten:

De gemeenten dragen zorg voor voorzieningen op het gebied van water en verkeer, huisvesting, het bestuur van het openbaar onderwijs, de gemeentelijke welzijns- en gezondheidszorg, cultuur, sport en ontspanning.

In 1994 is de regering gestart met het grootstedenbeleid. Samen met 25 steden zal de regering extra investeren in onderwijs, veiligheid, zorg, werkgelegenheid, sport, cultuur en infrastructuur. Een coördinerend minister hiervoor aangesteld.

Het Bestuur van de gemeenten bestaat uit  -de gemeenteraad

                                                                     -het college van de burgemeester

                                                                     -de burgemeester

De gemeenteraad wordt voor 4 jaar gekozen door de stemgerechtigde inwoners. Ook vreemdelingen die reeds 5 jaar legaal in Nederland verblijven, kunnen aan deze verkiezingen deelnemen.

 

Het waterschap:

Dit is de oudste vorm van democratisch bestuur in Nederland.

Waterhuishouding  is belangrijk voor een land dat voor meer dan de helft onder de zeespiegel ligt. Het zijn dus  publiekrechterlijke lichamen met als belangrijkste taken: 

-aanleggen en onderhouden van dammendijken en sluizen.

-regeling van de water-tanden (af en aanvoer van water).

-de zorg voor waterkwaliteit.

Het algemeen bestuur wordt gekozen door huis- en grondeigenaars binnen het gebied van het waterschap.

 

In Nederland is de bestuurlijke organisatie in beweging. Er is een proces van decentralisatie aan de gang, waarbij steeds meer taken en bevoegdheden van het Rijk worden overgedragen aan de provincies en gemeenten. Hierdoor wordt de afstand tussen bestuur en burger kleiner en wordt de bureaucratie tegengegaan. Gemeenten met meer dan 1OO.OOO  inwoners kunnen deelraden oprichten momenteel alleen doorgevoerd in Amsterdam en Rotterdam.

De provincies en gemeenten hebben eigen inkomsten(door belastingen te heffen) en krijgen een uitkering van de centrale overheid.

 

POLITIEKE PARTIJEN.

 Nederland kent een groot aantal politieke partijen mede als gevolg van de lage kiesdrempel in het stelsel van evenredige vertegenwoordiging.

Bij de laatste verkiezingen behaalde maar liefst 9 partijen één of meer zetels in de tweede kamer. Er zijn 3 grote partijen: 

PvdA: de Partij van de Arbeid. Ze heeft haar wortels in de Nederlandse vakbeweging (1946) en ze streeft ernaar om een sociaal-democratische partij te zijn, met een aanhang in alle lagen van de bevolking.

CDA: Christen Democratisch Appèl. Het is een samenwerking tussen de christen-democratische partijen(KVP, ARP en CHU) ontstaan door de ontkerkelijking in de jaren zestig. De partij-ideologie is gebaseerd op religieuze uitgangspunten.

VVD:  De liberale stroming.

Naast deze grote partijen zijn er ook een aantal  kleinere partijen vertegenwoordigd in de regering:

-D66

-GroenLinks

-SGP de orthodox-protestanten

-GPV

-RPF

-SP

                                                       

B. DE BUITENLANDSE POLITIEK.

HET BUITENLANDS BELEID EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING.

 

DE Nederlandse buitenlandse politiek wordt geleid door de wens de vrede, vrijheid en welvaart in de wereld te bevorderen.ontwikkelingssamenwerking vormt daarvan een integraal onderdeel. Aan het hoofd staan dan ook twee ministers; de minister van buitenlandse zaken en de minister van ontwikkelingssamenwerking.

Het buitenlands beleid van Nederland speelt zich voor een belangrijk deel af binnen multilaterale kaders als:   -de Verenigde Naties(VN)

-de Europese Unie(EU)

-de Noord-Atlantische verdragsorganisatie(NAVO)

-de West-Europese Unie(WEU)

In het bilateraal kader streeft men in de eerste plaats naar goede betrekkingen met de omringende buurlanden:   -België en Luxemburg(Benelux)

-Duitsland en Frankrijk

-Het Verenigd Koninkrijk en de Scandinavische landen.

Nederland is bovendien sterk betrokken bij de ontwikkelingen in Midden- en Oost-Europa en ondersteunt daar actief de overgang naar democratie en markteconomie.

 

INTERNATIONALE TRADITIE.

 

Nederland was sterk betrokken bij de oprichting van:

-Het internationale Monitaire Fonds(IMF)

-De Wereldbank(IBRD) 

-De VN

-De WEU

-De NAVO

-en van de Europese Gemeenschap(thans EU)

Nederland met zijn sterk internationaal georiënteerde economie, hecht veel belang aan een goed geordende internationale omgeving.Doch niet louter om eigen belang; het gaat om waarden ‘democratie en mensenrechten voorop’ waaraan de samenleving gehecht is.

 

In Den Haag  lijkt wel een internationale basis gevestigd te zijn.

-De eerste vredesonderhandelingen werden in Den Haag gehouden.

-Het internationaal gerechtshof is in Den Haag gevestigd.

-Het permanente hof van arbitrage in Den Haag.

-Het Joegoslavische Tribunaal in Den Haag.                                 

-De zetel van de organisatie voor het verbod op chemische wapens(OPCW) in Den Haag.

 

Verder wil men de rol van de Organisatie voor veiligheid en Samenwerking in Europa(OVSE) versterken, onder meer op het terrein van conflictpreventie, vredeshandhaving en de bescherming van minderheden.

 

NOORD-ATLANTISCHE VERDRAGSORGANISATIE.

 

Europa kwam tijdens de Koude Oorlog sterk onder invloed van het kapitalistisch ideeëngoed. Naast de Europese integratie was ook een Atlantische samenwerking onmisbaar.

Ook Nederland vond het van kapitaal belang de Verenigde Staten actief betrokken te houden bij de Europese veiligheid en stabiliteit. Men ziet hiervoor de NAVO als de aangewezen organisatie.

Daarnaast acht Nederland het van belang dat via de WEU  de Europeanen de mogelijkheid krijgen om zonodig zelfstandig operaties uit te voeren, bijv. Op gebied van vredesonderhandelingen.

 

NEDERLAND EN DE EU.

 

Als medeoprichter van de Europese Gemeenschap(EG)heeft Nederland een belangrijk aandeel gehad in wat sedert de inwerkingtreding van het verdrag van Maastricht(1991) bekend staat onder de naam Europese Unie. Men is altijd voorvechter geweest van het communautaire element in de Europese samenwerking. Kleinere landen hebben in internationale verhoudingen immers belang bij de ‘rule of law’, in dit geval dus bij de communautaire rechtsorde. Een boven- nationale structuur, zoals de EU, biedt een zekere beschutting tegen feitelijke machts- verschillen.

Voor Nederland is de Europese integratie een soort basisvoorwaarde voor zijn welvaart en een middel om stabiliteit te verzekeren. Dit geldt vooral voor de interne markt en de Economische en Monitaire Unie(EMU). Nederland is voorstander van een geleidelijke uitbreiding van de Unie, maar meent dat deze hand in hand moet gaan met institutionele versterking. De besluitvaardigheid in de reeds geïntegreerde gebieden moet worden verbeterd en dit met een komende uitbreiding in het achterhoofd. Samen met de andere Beneluxpartners wil Nederland in deze verdieping van de samenwerking een voortrekkersrol blijven spelen. De Europese integratie moet voelbaar zijn voor de Europese burger, onder meer in de vorm van vrijheid en veiligheid.

Ook de vooral op export gerichte economie heeft sterk geprofiteerd van de EG/EU. Landbouw-en industrieproducten vinden makkelijk handelspartners binnen de Unie. Meer dan driekwart van Nederlandse uitvoer gaat naar de overige EU-landen.

 

ONTWIKKELINGSSAMENWERKING.

Zoals reeds eerder vermeld vormt ontwikkelingssamenwerking een belangrijk onderdeel van het buitenlands beleid. Nederland streeft als het ware naar een wereldwijde duurzame ontwikkeling. Deze zou rusten op een economische ontwikkeling en armoedebestrijding.

Armoedebestrijding is vooral gericht op de versterking van de sociale, economische en politieke vrijheid van mensen. Meer dan vroeger werken verschillende ministeries samen om dit doel te bereiken. Men stelt maar liefst 0.8% van zijn Bruto Nationaal Product beschikbaar voor zuivere ontwikkelingshulp. Binnen dit bedrag dat in 1999 meer dan 3 miljard Euro bedroeg, vallen ook noodhulp en conflictpreventie en de 0.1% BNP voor het internationaal milieubeleid.

Voor het besteden van fondsen voor ontwikkelingssamenwerking bestaan er in het ministerie van buitenlandse zaken drie kanalen:

-Ongeveer een derde deel van de begroting wordt beschikbaar gesteld aan de overheid in ontvangende landen.

-Een kwart van de begroting wordt besteed via de multilaterale kanalen waaronder de UN-organisaties, de EU, de Bretton Woods-instellingen.

-De overige fondsen worden via particuliere organisaties waaronder de medefinancieringsorganisaties in de SNV geluisd.

Een groot deel van de ontwikkelingshulp werd in het verleden versterkt in de vorm van projecthulp. In de toekomst echter zal het accent verschuiven naar macrosteun, programmahulp, sectorale steun en betalingsbalanssteun.

 

DEFENSIE.

De Nederlandse krijgsmacht kent twee hoofdtaken:

-de verdediging van het eigen en bondgenootschappelijk gebied.  

-het bijdragen aan internationale vredesoperaties in het kader van crisisbeheersing.

Op dit moment zijn ruim 3000 Nederlandse militairen betrokken bij vredesoperaties op tal van plaatsen in de wereld. Men werkt de laatste jaren steeds meer samen met de krijgsmachten van andere landen. Crisisbeheersing, humanitaire hulpverlening en rampenbestrijding zijn steeds belangrijker geworden.

In 1998 werd ongeveer 1.6% van het BNP aan defensie besteed.

   

2. BESPREKING.

 

Nederland bij het begin van de twintigste eeuw.

Wij beginnen de politieke geschiedenis van Nederland in 1900, toen de Leerplichtwet voor het eerst werd ingevoerd. Toen geldde de wet voor alle kinderen vanaf 7 jaar. Het onderwijs hoefde echter niet op school onderwezen te worden. Op basis van de wet mag dit ook door b.v. een gouvernante thuis gebeuren. Nu echter is ieder kind leerplichtig vanaf de eerste schooldag van de maand na de vijfde verjaardag. De volledige leerplicht duurt tot het einde van het schooljaar waarin de 16-jarige leeftijd bereikt wordt. Daarna is er voor hen die geen dagonderwijs meer volgen de partiële leerplicht voor 1 leerjaar onderwijs gedurende twee dagen per week.

 

Nederland tijdens de eerste wereldoorlog.

Al sinds 1871 was het uitgangspunt van de Nederlandse buitenlandse politiek ‘neutraliteit’. Daarom deed de Nederlandse regering er in de zomer van 1914 ook alles aan om bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog neutraal te blijven. Nederland had zich niet aangesloten bij een bondgenootschap in de gedachte dat nog Engeland noch Duitsland het zich kon veroorloven het strategisch belangrijke Nederland aan te vallen. Zo bestond er een evenwicht dat de neutraliteit van Nederland waarborgde.

Oorspronkelijk was Duitsland van plan om via België en Nederland Frankrijk aan te vallen, maar de Duitse regering vond het uiteindelijk van groter belang om Nederland buiten de oorlog te houden. Dit zou voor Duitsland drie voordelen hebben: ten eerste zouden ze via Nederlandse havens goederen naar Duitsland kunnen transporteren, ten tweede had Duitsland nood aan Nederlandse landbouwproducten, en ten derde vormde een neutraal Nederland een buffer tegen aanvallen in de rug.

Zo is Nederland gedurende de hele eerste wereldoorlog neutraal gebleven.

Na de ineenstorting van het Duitse leger vluchtte de Duitse keizer in1918 naar Nederland. De regering stond toe dat hij zich in Nederland vestigde, waar hij uiteindelijk in 1941 overleed. 

Nog tijdens de Eerste Wereldoorlog werd een eerste belangrijke herziening van de grondwet in de 20ste eeuw doorgevoerd. In deze herziening was er vooral aandacht voor vijf belangrijke punten, punten die een bepalende rol hebben gespeeld in het verdere verloop van de politieke geschiedenis:

1.De invoering van algemeen mannenkiesrecht. En de mogelijkheid tot de invoering                                        van vrouwen kiesrecht werd bij wet bepaald.   

2.Gelijke eisen ten aanzien van het passieve kiesrecht voor Eerste en Tweede kamer.

3.Invoering van de opkomstplicht.

4.Invoering van de evenredige vertegenwoordiging, en daarmee de afschaffing van het districtenstelsel.

5.Het openbaar en bijzonder vormend onderwijs werden financieel gelijkgesteld.

 

Nederland tijdens het Interbellum.

Algemeen: in de jaren na de Eerste Wereldoorlog waren de betrekkingen tussen Nederland en Duitsland goed. Duitsland werd door het Verdrag van Versailles gedwongen om een bescheiden rol in Europa te spelen. Aan de ene kant was een eventuele Duitse dreiging voor Nederland hierdoor verdwenen. Aan de andere kant werd het verdrag door de Nederlandse regering bekritiseerd  omdat het evenwicht in Europa door een te zwak Duitsland verstoord zou zijn.

Vanaf 1933, het jaar waarin Hitler in Duitsland de macht greep streefden de nazi’s ernaar om Duitsland zoveel mogelijk in eigen behoeften te laten voorzien. Voor Nederland betekende deze ontwikkelingen dat de politieke betrekkingen met Duitsland geheel in het kader van bescherming van de handel kwamen te staan. Hierbij was het van beland de Duitsers niet onnodig kwaad te maken door kritiek te leveren op het beleid van de nazi’s. Dit is een van de redenen geweest waarom de Nederlandse regering over het algemeen terughoudend hebben gereageerd op de steeds erger wordende discriminatie van Joden in Duitsland en op de steeds agressievere buitenlandse politiek van Hitler.

 

Een eerste nieuwe wet tijdens het Interbellum was de arbeidswet die in Juli 1919 door het parlement werd goedgekeurd. Deze wet verbiedt arbeid door kinderen beneden de 14 jaar en beperkt de werktijden tot acht uur per dag en maximaal 45 uur per week.

Een tweede belangrijk wetsontwerp was dat van de Vrijzinnige-Democraat Marchant waardoor het actief en passief vrouwenkiesrecht in September van datzelfde jaar werd ingevoerd.

 

In Januari 1920 werd op de vredesconferentie van Versailles het eerste ontwerp van de volkenbond voorgesteld. Het Handvest van deze Bond betrof maatregelen voor de handhaving van vrede en het bevorderen van toestanden waarin vrede zou kunnen heersen.

De Verenigde Staten werden uiteindelijk geen lid van de organisatie. Behalve de geallieerde overwinnaars traden dertien neutrale staten, waaronder Nederland, toe tot de Volkenbond. Later traden nog andere staten toe, zoals Duitsland in 1926 en de Sovjet-Unie in 1934. In totaal zijn 62 staten lid geweest.

 

In 1922 werd een tweede herziening van de grondwet afgekondigd. Dit keer met vier belangrijke artikelen:

1.De term koloniën wordt vervangen door Nederlandsch-Indië, Suriname en Nederlandse Antillen.     

2.Het wordt mogelijk om niet in de Grondwet vernoemde publiekrechtelijke instellingen in te stellen.

3.Het koningschap wordt gekoppeld aan de nakomelingen van koningin Wilhelmina.

4.De Staten-Generaal moeten een oorlogsverklaring vooraf goedkeuren.

Verder werd datzelfde jaar de arbeidswet aangepast door de Kamer. Hierdoor wordt de werktijd weer verlengd tot 8,5 uur per dag en maximaal 48 uur per week.  

 

Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Toen in augustus van1939 de dreiging van Duitsland wel erg dichtbij kwam, kondigde de Nederlandse regering een algemene mobilisatie af. Hierbij moesten de lichting 1924 tot en met 1939 allemaal opkomen. En net als in 1914 bleef Nederland vasthouden aan de neutraliteitspolitiek. Zoals bekend hebben de nazi’s zich daar niet veel van aangetrokken. In mei 1940 viel het Duitse leger Nederland net als Frankrijk, België en Luxemburg binnen.

Rond Den Haag werden luchtlandingstroepen gedropt die de koningin en de regering gevangen moesten nemen. De Duitse parachutisten dolven echter het onderspit tegen de verbeten vechtende Nederlanders. Het Nederlandse leger wist echter niet stand te houden, en de Nederlandse regering en de koningin weken uit naar Londen. Op 14 mei bleek de situatie hopeloos. De Luftwaffe bombardeerde de binnenstad van Rotterdam en dreigde andere grote steden in as te leggen. Nederland capituleerde.

In Nederland kwam de Tweede Wereldoorlog bijzonder hard aan, voor hen was het de eerste oorlog sinds lange tijd, zij hadden de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog niet meegemaakt. Voor Nederland was WOII dé traumatische ervaring van de laatste paar eeuwen.

Alleen daar al vielen er ongeveer 250.000 slachtoffers. De jodenvervolging is in Nederland veel effectiever geweest dan in de meeste andere bezette landen. Dit heeft onder andere te maken met het feit dat in Nederland een burgerlijk gezag onder leiding van de fanatieke Oostenrijkse nazi Seyss-Inquart was ingesteld door de Duitsers. Deze burgerlijke regering maakte veel meer werk van de jodenvervolging dan veel militaire regeringen in andere landen. In Nederland zijn 104.000 van de 140.000 joden omgekomen in de oorlog. Hierbij moet worden vermeld dat de verschillende Nederlandse instanties (politie etc.) over het algemeen gewillig hebben meegewerkt aan de deportatie van de joden.

De Duitse bezetting in een groot deel van Nederland heeft langer geduurd dan in bijvoorbeeld België en Frankrijk. De geallieerde invasie in Normandië op 6 juni 1944 stemde de meeste Nederlanders hoopvol. De opmars verliep vlot en de zuidelijke provincies werden bevrijd, maar de noordelijke provincies konden echter nog niet bevrijd worden. De regering riep vanuit Londen op tot een staking van het spoorwegpersoneel waardoor voedselschaarste en hongersnood het gevolg was. Bovendien was de winter van 1944-1945 ook nog eens bijzonder streng waardoor duizenden stierven door ondervoeding en koude. Pas in het voorjaar van 1945 rukte het geallieerde leger op. De binnentrekkende Canadezen en Polen werden geestdriftig onthaald. De Duitse troepen in Nederland capituleerden op 5 mei 1945.

Nederland was weer vrij!  

   

Nederland na de Tweede Wereldoorlog.

Algemeen: de Nederlandse politiek ten aanzien van Duitsland werd in de eerste jaren na de oorlog gekenmerkt door enerzijds wrok en anderzijds het streven naar herstel van de economische betrekkingen. Nederland lag voor een groot deel in puin en de Nederlandse regering eiste herstelbetalingen van Duitsland voor 25 miljard gulden, en de annexatie van Duitse gebieden. Ook wilde Nederland alle Duitsers het land uitzetten. Maar geen van deze eisen werd volledig toegestaan door de geallieerde mogendheden. Voor Nederland zou de situatie pas in 1948 daadwerkelijk verbeteren met de komst van de Marshallhulp.

 

Een eerste belangrijke gebeurtenis in Nederland na de Tweede Wereldoorlog was de troonsbestijging van Juliana Louise Emma Marie Wilhelmina, in opvolging van haar moeder koningin Wilhelmina. Juliana, geboren op 30 april 1909, trad in het huwelijk met Bernhard, prins van Lippe-Biesterfeld. Uit dit huwelijk werden vier dochters geboren; Beatrix, Irene, Margriet en Christina.

Nadat Juliana bij de wet van 10 oktober 1947 tot regentes was benoemd, werd zij vier dagen later als zodanig beëdigd. Op 1 december 1947 nam haar moeder weer zelf de regering op zich en van 12 mei tot 30 augustus van 1948 trad prinses Juliana opnieuw op als regentes.

Op 6 september 1948 werd Juliana, nadat koningin Wilhelmina op 4 september troonsafstand had gedaan, in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal in de Nieuwe Kerk te Amsterdam ingehuldigd als koningin. Op 30 april 1980 deed zij ten gunste van haar dochter Beatrix afstand van de troon.

 

Toen op het einde van de Tweede Wereldoorlog ook de Japanners op Indonesië capituleerden, riep Soekarno de Republiek Indonesië uit, een handeling die veel Nederlanders als verraad beschouwden. Nederland herstelde zijn macht snel buiten Soekarno en Java en knoopte onderhandelingen aan met de vertegenwoordigers van de Republiek. Maar ondanks een akkoord, hield Nederland 2 militaire acties, de politionele acties genaamd. Zij namen zelfs de hele Republikeinse regering gevangen. Het waren in feite acties om de Indonesische onafhankelijkheid te voorkomen of te vertragen. Maar Nederland moest onder druk van de wereldopinie en vooral van de Verenigde Staten, die met een wapenembargo dreigden, zwichten. Op 27 december 1949 droeg Nederland in het Koninklijk Paleis te Amsterdam de soevereiniteit over de Indische archipel over aan de Republiek der Verenigde Staten van Indonesië. Ongeveer een kwart miljoen mensen verliet Indonesië en vestigde zich in Nederland.  

 

Nederland zocht na de Tweede Wereldoorlog bescherming tegen mogelijke hernieuwde agressie. Deze bescherming zochten zij vooral in een militair bondgenootschap tussen de Verenigde Staten en West-Europa en in verregaande samenwerking tussen de West-Europese landen. Dit betekende een breuk met de traditionele neutraliteitspolitiek, die in 1940 zo gefaald had. Het Atlantisch bondgenootschap kreeg in 1949 vorm in de NAVO (Noord Atlantische Verdrags Organisatie). De Verenigde Staten garanderen in dit verdrag dat zij de West-Europese landen in geval van oorlog te hulp zouden komen. De West-Europese samenwerking vond haar eerste uitwerking in de Westerse Unie met Engeland, Frankrijk en de Benelux.  

Nederland in de tweede helft van de twintigste eeuw.

Ook op Europees vlak werden samenwerkingsverbanden ontwikkeld. Men had nood aan een betere economische samenwerking tussen de Europese landen. In 1957 werd in Rome dan ook de EEG, de Europese Economische Gemeenschap, door Frankrijk, Duitsland en de Benelux opgericht.

In 1973 kwam in Suriname een nieuwe regering aan de macht, die aankondigde het land voor einde1975 onafhankelijk te willen maken. In oktober 1975 werd in het Nederlandse parlement een wet tot wijziging van het Koninkrijksstatuut aanvaard. In Suriname bereikten premier Arron en oppositieleider Lachmon, die zich tot dan toe zeer had verzet tegen onafhankelijkheid, overeenstemming over de Grondwet, die daarna werd aangenomen.

Op 25 november 1975 werd de onafhankelijkheid van Suriname een feit.

Een van de meer opvallende gebeurtenissen in de tweede helft van de twintigste eeuw in Nederland was de kroning van Beatrix Wilhelmina Armgrad. Als eerstgeborene (op 31 januari 1938) uit het huwelijk tussen prinses Juliana en prins Bernhard was zij de ‘vermoedelijke erfgename der kroon’. Zijzelf is getrouwd met Claus van Amsberg en kreeg drie zoons, waaronder de momenteel erg bekende Willem-Alexander.

Op 30 april 1980 deed koningin Juliana afstand van de troon en vond in de Nieuwe Kerk te Amsterdam de inhuldiging van Koningin Beatrix plaats.

Momenteel voert zij als staatshoofd de ambtsbezigheden uit in paleis Noordeinde.

 

In 1985 werd het eigelijke Akkoord van Schengen gesloten tussen de Benelux-landen, Duitsland en Frankrijk. En in 1990 werd de overeenkomst tot Uitvoering van het Akkoord van Schengen ondertekend. In het Akkoord werd tussen een aantal lidstaten van de Europese Unie afgesproken de controles bij hun onderlinge grenzen af te schaffen. Dit, vooruitlopend op een regeling van het vrij verkeer van personen binnen de landen van de Europese Unie.

Om de gevolgen van de afschaffing van de controles aan de binnengrenzen te compenseren, zijn verschillende maatregelen genomen.

1.Een gelijkwaardig niveau van bewaking van de buitengrenzen van het Schenenterritorium. (=uniforme personencontrole gericht op vreemdelingen.)

2.Politiesamenwerking en samenwerking op het terrein van verdovende middelen.

3.De instelling van een gemeenschappelijk opsporingsregister, waarin onder meer gegevens zijn opgenomen van personen die in een der Schengenlanden worden gezocht of persona non grata zijn.

4.Een gemeenschappelijk visumbeleid met een visumsticker dat voor alle Schengenpartners gelijk is.

5.Een regeling voor de behandeling van asielverzoeken. ( Asielzoekers slechts in een van de aangesloten staten terecht, maar dat land moet het verzoek behandelen).

6.De intensivering van de samenwerking tussen politie en Justitie in de betrokken staten met de mogelijkheid van grensoverschrijdende achtervolging.

Maar inmiddels heeft Frankrijk aan zijn noordgrens de persooncontroles weer ingevoerd uit onvrede over het Nederlandse drugsbeleid.

 

Een van de meest belangrijke verdragen van de twintigste eeuw voor Nederland en voor de rest ven Europa is natuurlijk het Verdrag van Maastricht.

Het Verdrag van Maastricht, getekend op 11 december 1991 door de twaalf lidstaten, heet officieel het Verdrag betreffende de Europese Unie. Het verdrag is op 1 november 1993 ingegaan.

In het verdrag zijn aan de reeds bestaande Europese verdragen bepalingen toegevoegd op het vlak van economisch en monetair beleid, buitenlands en veiligheidsbeleid, en onderdelen van het Justitieel beleid en Binnenlandse Zaken. De samenwerking die op een aantal van deze terreinen bestond, krijgt een nieuw juridisch kader in het Unieverdrag. Het verdrag kan gezien worden als het resultaat van de bestaande supranationale samenwerkingsvormen gecombineerd met intergouvernementele samenwerkingsvormen. In feite is het verdrag een compromis na onderhandelingen tussen aanhangers van een federaal Europa en de lidstaten die niet verder willen gaan dan een Europa der Vaderlanden.

Het karakter van een compromis blijkt duidelijk uit de structuur van het Verdrag: de zogenaamde tempelstructuur met drie pijlers.

  • De eerste pijler bestaat uit de bestaande verdragen van de Europese Gemeenschappen met wijzigingen en nieuwe elementen, zoals de Economische en Monetaire Unie (EMU). Dit is de supranationale communautaire pijler.
  • De tweede pijler bestaat uit een gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid en draagt een intergouvernementeel karakter.
  • De derde pijler bestaat uit afspraken op het terrein van justitie en binnenlandse zaken en is eveneens intergouvernementeel van opzet.

De EMU kenmerkt zich door een gemeenschappelijke financiële markt zonder binnengrenzen, het convergentieprincipe waardoor de lidstaten hun economisch en monetair beleid steeds meer op elkaar moeten afstemmen, de oprichting van het Europees Monetair Instituut (EMI) dat die afstemming controleert en begeleidt, de vorming van een Monetaire Unie met één Europese munt.

Het sociaal beleid wordt voor een deel ondergebracht in een Sociaal Protocol dat bij het Unieverdrag is gevoegd. In het protocol spreken de lidstaten af dat 11 onder hen, Groot-Brittannië uitgezonderd, het sociaal beleid verder vorm te zullen geven, gebruikmakend van de instellingen en procedures van de EG.

Vermeldenswaard is verder dat met het verdrag de positie van het Parlement wordt versterkt door invoering van de medebeslissingsprocedure. Deze ingewikkelde vorm van besluitvorming moet het zogenaamde democratisch tekort verminderen. Tevens wordt het Comité van de Regio's in het verdrag opgericht, dat raadgevende bevoegdheid krijgt in regionale zaken. En tenslotte wordt het subsidiariteitsbeginsel ingevoerd. Subsidiariteit betekent dat de Europese Unie bevoegd is op te treden en regels te stellen "indien en voor zover de doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve vanwege de omvang of gevolgen van het overwogen optreden beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt". Vanzelfsprekend ligt dit beginsel politiek zeer gevoelig.

De ratificatie van het verdrag is moeizaam verlopen. De Denen wijzen in een eerste referendum het verdrag af. Pas in een tweede referendum zijn de Denen akkoord gegaan, nadat Denemarken zich het recht had voorbehouden niet volledig mee te doen aan het gemeenschappelijk defensiebeleid en de monetaire unie.

 

Een ander, ook zeer belangrijk verdrag was het Verdrag van Amsterdam.

Het Verdrag van Amsterdam, ondertekend op 2 oktober 1997, heet voluit het Verdrag van Amsterdam houdende wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Verdragen tot Oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijbehorende akten.

Het parlement krijgt in het verdrag op meer terreinen de rol van medewetgever. Coördinatie van de werkgelegenheid wordt toebedeeld aan de instellingen van de Unie. Grondrechten worden expliciet onderdeel van het gemeenschapsrecht. De samenwerking op het gebied van vrij verkeer van personen, asiel en immigratie worden overgeheveld van de derde pijler naar het communautaire deel van het EG-verdrag. De Schengen-samenwerking is opgenomen in het verdrag. Het Sociaal Protocol wordt, nadat de Britten hun uitzonderingspositie op dit punt hebben opgegeven, in het verdrag opgenomen.

 

 

 

Vragen of opmerkingen: redactie@kinderenwebhotel.be   
Copyright © 2004 Kinderen (Deze gegevens mogen enkel en alleen gebruikt worden voor schooldoeleinden en op niet-commerciële basis, en niet als informatie voor websites. Enkel links zijn toegelaten. )
De redactie kan niet verantwoordelijk worden gesteld voor eventuele fouten, of op ingezonden werken.