Start
Omhoog

  Klimaten

 

Klimaten
Het soort weer dat een bepaalde landstreek gedurende een lange periode heeft, noemen we het klimaat. In het hoge noorden en het diepe zuiden is het bar koud. Aan de evenaar is het erg heet.

Het klimaat van een gebied hangt af van verschillende factoren. De belangrijkste twee zijn: de hoeveelheid zonnewarmte die dat gebied ontvangt, en de nabijheid van de zee.

Water heeft meer tijd nodig om warm te worden dan het het land, maar het koelt ook weer langzamer af. En dus hebben gebieden in de nabijheid van de zee doorgaans warmere winters dan de gebieden die meer landinwaarts gelegen zijn. Maar de gebieden aan zee hebben dan wel koudere zomers omdat de zee langere tijd nodig heeft om warm te worden.

Het soort planten dat in een bepaalde streek groeit, is afhankelijk van het klimaat. 

1. Pool-en bergklimaat: zijn erg koud, zowel “s zomers als “s winters. Slechts kleine, taaie planten, zoals mossen en korstmossen, kunnen er groeien op de weinig plaatsen die niet door sneeuw zijn toegedekt. 
2. Het klimaat in de noordelijke wouden kent koele zomers en lange winters met veel sneeuw. Er zijn enorm veel naaldbomen.
3. Het gematigde klimaat heeft warme zomers en zachte winters. Er valt geregeld regen.
4. Het woestijnklimaat is op plaatsen waar het bijna nooit regent. Soms groeit er niets, en soms groeien er wat palmbomen in de buurt van water. (=oase)
5. Tropisch klimaat vindt men aan de evenaar. Heel het jaar is het er heet, en er is geen winter. In sommige streken valt er het hele jaar door regen.

Voorbeelden bij deze klimaten:

1. Pool-en bergklimaat
2. Het klimaat in de noordelijke wouden
3. Het gematigde klimaat
4. Het woestijnklimaat 
5. Tropisch klimaat
In volgorde van afnemende temperaturen op aarde:
A. Tropische regenklimaten.
B. Droge klimaten.
C. Gematigde zeeklimaten.
D. Gematigde landklimaten.
E. Poolklimaten.
 
 
De letters A t/m E geven het hoofdklimaat aan. Een tweede toegevoegde letter geeft een verdere onderverdeling.
w = wintertrocken (met droge winter)
s = sommertrocken (met droge zomer)
f = feucht (met neerslag in alle jaargetijden)
S = Steppe (steppe)
W = Wuste (woestijn)
T = Tundra (toendra)
F = Frost (vorst)
 
We onderscheiden zo twaalf klimaten op aarde.
Af. Tropisch regenwoudklimaat (9% van het aardoppervlak)
Aw. Savanneklimaat (11%)
BS. Steppeklimaat (14%)
BW. Woestijnklimaat (12%)
Cf. Noordwesteuropaklimaat (6%)
Cs. Middellandse-Zeeklimaat (2%)
Cw. Chinaklimaat (8%)
Df. Sneeuw-bosklimaat zonder droge perioden (16%)
Dw. Sneeuw-bosklimaat met koude droge winter (5%)
ET. Toendraklimaat (7%)
EF. Sneeuw- en ijsklimaat of soms afzonderlijk onderscheiden:
EH. Hooggebergteklimaat (laatste twee samen 10%)
 

 

 

Vragen of opmerkingen: redactie@kinderenwebhotel.be   
Copyright © 2004 Kinderen (Deze gegevens mogen enkel en alleen gebruikt worden voor schooldoeleinden en op niet-commerciėle basis, en niet als informatie voor websites. Enkel links zijn toegelaten. )
De redactie kan niet verantwoordelijk worden gesteld voor eventuele fouten, of op ingezonden werken.