Start
Omhoog

   Slangen

In ons land leven drie soorten slangen; de adder, de ringslang en de gladde slang. De hazelworm ziet er wel uit als een slangetje, maar hij behoort tot de hagedissen en heeft inwendig vier rudimentaire pootjes. De adder is de enige giftige van de drie slangensoorten.

ADDER

De adder (Vipera berus) maakt thans in ons land een verheugende bloeiperiode door, waarom is onbekend. Zoals boven vermeld is het onze enige giftige slang, maar zijn gif is niet bijzonder kwaadaardig. Een gezonde volwassene wordt er wel behoorlijk ziek van maar gaat er niet aan dood. Niettemin blijft directe behandeling na een beet toch noodzakelijk, zeker als het een kind of een kleine hond betreft.*

De hier levende adder komt in geheel Europa en delen van Azi‘ voor. Hij kan een lengte hebben van 50 tot hoogstens 80 centimeter. De adder (Duits: "Kreuzotter") is van alle slangen ter wereld het meest bestendig tegen lage temperaturen. In Europa reikt zijn leefgebied tot aan de Poolcirkel, in het zuidoosten tot in het Kaukasusgebergte en in de bergen tot 1800 meter hoogte (= ongeveer de boomgrens).

Zijn biotoop kan wisselen van vochtig naar droog, als hij maar genoeg zonneplekjes kan vinden.

Hij kan zich bij +3 graden Celsius nog voortbewegen. De adder is vrij gemakkelijk te herkennen aan de donkere zigzagstreep die over zijn hele rug loopt, zijn naar achteren iets breder wordende kop en de donkere stippels aan zijn flanken. De oogpupillen hebben een verticale stand.

WINTERSLAAP EN PARING

Zodra de buitentemperatuur wezenlijk gaat dalen zoekt de adder een 15 tot 50 centimeter diep knaagdierenhol, een rotsspleet of een grote, al of niet holle boomstronk op en wurmt zich zo diep mogelijk naar binnen. In het voorjaar verschijnen de mannetjes weer als eersten. Vooralsnog besteden ze al hun tijd aan het opwarmen in de lentezon, zonder dat ze voedsel opnemen. Enige tijd later verschijnen de vrouwtjes en daarna begint de paartijd, die een maand duurt. In een ruim met adders bezet gebied vinden mannetje en vrouwtje elkaar snel, maar in qua adders dunbevolkte gebieden moet het mannetje lange tochten maken om een wijfje te vinden. Hij volgt daarbij vermoedelijk het spoor dat zij op de grond achterlaat. Vindt hij haar dan sist hij, legt zijn kop op haar lichaam en begint op haar rug naar voren te schuiven, haar intussen aanhoudend met zijn gespleten tong betastend.

Dit laatste geschiedt om haar paringsbereidheid te onderzoeken. Als hij, met in achtneming van de bochten in haar lichaam, precies in de lengte op haar ligt, maakt hij met zijn staart een lus om haar achterlijf heen en trekt die aan tot de beide cloaca’s elkaar kunnen bereiken. Het geheel wordt talrijke malen onderbroken door vluchtpogingen van het wijfje, waarna het mannetje weer van voren af aan moet beginnen. Maar tenslotte lukt het dan toch. De paring zelf duurt 1 ˆ 2 uur en herhaalt zich een keer of zes in de eerste dagen. Komt er een rivaal op de kust dan volgen er verschillende dreigende blaasacties en tenslotte verstrengelen de mannetjes zich tot hun koppen elkaar op gelijke hoogte kunnen imponeren. In de strijd met soortgenoten gebruiken zij hun gif niet. Als er een winnaar is gaat de verliezer weg, om enige tijd later terug te komen en alsnog met het dan vrije wijfje te copuleren.

De adder is ovovivipaar (eierlevend-barend). Deze omstandigheid draagt ertoe bij dat zij nog zo ver noordelijk en zo hoog in de bergen kunnen leven. Het aantal jongen ligt tussen 6 en 20. De uitgebreide zonnekuren, van het eerste tot het laatste straaltje toe, waaraan zwangere adderwijfjes zich onderwerpen, hangen zeker samen met het feit dat de jongen zich in zomers met veel zonneschijn sneller in het moederlichaam ontwikkelen. In koudere streken met regenachtige of voortdurende bewolkte zomers kan het gebeuren dat de baring niet meer in diezelfde zomer plaatsvindt, maar in de daaropvolgende. Het wijfje doet haar winterslaap met de ongeboren jongen in haar lichaam.

VOEDSEL

In knaagdierholen jaagt de adder actief, maar voor het overige bedrijft hij de loerjacht terwijl hij ligt te zonnen of uit te rusten. Zodra zijn slachtoffer dicht genoeg bij is, slaat hij met een bliksemsnelle beweging zijn tanden in diens lichaam. Het prooidier vlucht eerst nog maar verliest spoedig snelheid door de gifwerking en blijft met opgezette haren stilzitten. De adder wacht een minuut en gaat er dan met lage kop achteraan. Na uitgebreide betasting met de tong begint hij vervolgens zijn prooi naar binnen te werken. Het kan ook zijn dat hij die aan het rugvel naar een rustig plekje sleept en daar nuttigt. De prooidieren bestaan uit muizen, kikkers, hagedissen en ander klein spul.

Tijdens de periodieke huidvervellingen eet de adder niet. De minimale voedseltoevoer voor een volwassen adder bedraagt 6% van zijn lichaamsgewicht per week. De meeste consumeren echter ongeveer 12%. In tijden van overdaad en vlak voor de winterslaap kan de voedselopname tot 75% van het lichaamsgewicht oplopen. Zoals iedereen weet hebben de meeste slangen geen verbinding tussen onderkaak en schedel, waardoor zij prooien kunnen verslinden die breder zijn dan hun eigen lichaam. De adder jaagt bij dag en bij nacht.

VIJANDEN

Hoofdvijanden van de adder zijn de (thans alleen in Zuid-Europa en Azi‘ voorkomende) slangenarend (Circa‘tus gallicus), de egel, bunzing, kraaien, grijpvogels, wilde varkens, katten, honden en als hoofdschuldige de mens door rechtstreekse doodslag uit angst en door de vernieling van voor adders geschikte biotopen.

RINGSLANG

De ringslang (Natrix natrix) komt in heel Europa voor, van hoog in Noorwegen tot en met het Atlasgebergte in Noord-Afrika, en aan de oostkant tot diep in Rusland. Hij heeft een voorkeur voor natte gebieden en hij is een snelle zwemmer. Vanouds is de ringslang een veel geliefder dier dan de adder, zeker als het zich verwaardigde er een slaapplaats in de stal op na te houden. Het dier zou huis en hof geluk brengen; het had immers een gouden kroon om de hals! Eeuwenlang is het gebruik geweest om iedere avond een bord melk voor de "huisringslang" klaar te zetten. Toentertijd zag de vrouwelijke ringslang nog kans bijna twee meter lang te worden, en dan wordt het natuurlijk een indrukwekkend schepsel. Of dat nu een andere vari‘teit was of dat zij ook vaker de k‡ns kregen om zo groot te worden, is niet helemaal duidelijk. Tegenwoordig ziet men niet vaak een exemplaar boven de een meter dertig en dat is dan al een machtig dier. De wijfjes zijn altijd beduidend groter dan de mannetjes. Feit is wel dat een van de hoofdvijanden van de ringslang de autowegen zijn, waarop zij massaal worden doodgereden, veel meer dan de adder. De herkenning van de ringslang is gemakkelijk. Direct achter de kop bevinden zich twee halvemaanvormige gele of witgele vlekken, die de indruk van een ring maken, van boven en van onderen begrensd door zwarte vlekken. De kleur is groengrauw tot bruin, met enkele in de lengterichting lopende rijtjes zwarte vlekken over de hele rug. De wijfjes zwerven meer dan de mannetjes om goede nestplaatsen voor hun eieren te vinden. Zij geven de voorkeur aan composthopen en alles wat verder door broei de temperatuur kan verhogen. Soms vindt men een nest in een hoopje met de machine gemaaid gras. De kleintjes die er uit kruipen zijn handlang, zwart en hebben al twee brave witte vlekjes in hun hals.

Vijanden van de ringslang zijn ooievaars, reigers, katten, honden, egels, grijpvogels en domme mensen. Wanneer men hem oppakt sist en spartelt hij/zij geducht en scheidt uit de stinkklieren (bij de anus) een kwalijk riekend groenwit mengsel af. Soms braakt hij ook pas genuttigd voedsel uit. Andere keren kan hij zich ook doodhouden, waarbij hij de bek half open houdt en een vlies over de ogen getrokken heeft. De beet van een ringslang is altijd ongevaarlijk. Ze hebben wel giftanden, maar die zijn naar achteren gericht en dienen bij de ringslang alleen om de ingeslikte prooi vol met gif te pompen en daardoor sneller te verteren.

VOEDSEL

Het voedsel bestaat uit kikkers, padden, visjes, donderpadden, salamanders, hazelwormen, incidenteel hagedissen, regenwormen en insecten. Het vaak genoemde hypnotiseren van de prooi bestaat vermoedelijk niet. Het verstarren van de prooi is een vorm van zich dood houden, evenals de ringslang dat zelf bij gevaar ook kan doen. Het verslinden van een kikker of pad begint altijd van achteraf aan, dat wil zeggen bij de achterlopers. Het dient daarvoor dat sommige prooidieren zoals de pad zich bij gevaar sterk opblazen. Als het slachtoffer van achteraf aan opgegeten wordt, drukt de slang de lucht er gewoon van voren uit. Als hij dat niet deed zou de lucht in zijn binnenste vrijkomen en zou hij die bel niet meer kwijt kunnen raken. In gevangenschap kan de ringslang opmerkelijk tam worden. Men kan hem dan oppakken zonder dat hij zijn stinkklieren gebruikt. Voor de winterslaap zoeken zij mest- en composthopen uit, dode boomstronken, grote bladerhopen en zo meer. Het bij slangen gebruikelijke vervellen geschiedt op onregelmatige tijden. Het oude vel lijkt soms onwaarschijnlijk groot ten opzichte van de werkelijke lichaamslengte van het dier.

VOORTPLANTING

Korte tijd na de winterslaap, dus in april of mei, vindt de paring tussen een kleiner mannetje en groter wijfje plaats. Het aantal eieren bedraagt 20 tot 30, soms nog veel meer. Ze zijn kleverig aan het oppervlak en vormen aldus eierkettingen. De jonge dieren gaan terstond zelfstandig op jacht. Op warme herfstdagen kan een tweede bronst optreden. Zoals bij vele andere slangensoorten kan het sperma van de mannetjes in het lichaam van de wijfjes meer dan twee jaar actief blijven.

GLADDE SLANG

Deze slang, de Coronella austriaca, kan tot 75 centimeter lang worden. De ogen zijn klein met een ronde pupil. De kleur is grauwbruin, mannetjes bruiner dan wijfjes. Het dier komt in heel Europa en West-Azi‘ voor, waarschijnlijk in grotere aantallen dan gedacht wordt, omdat het zo heimelijk is. Bos en bosranden met veel zon zijn een geliefde biotoop. De beet is onschuldig, gifvrij en door de geringe afmeting van de tanden niet ernstig. Als men de gladde slang oppakt sist hij en maakt stootbewegingen met zijn kop, maar dat stelt allemaal niet zoveel voor. Prooidieren zijn hagedissen, hazelwormen, kikkers, padden, muizen, andere slangen en wormen. De slang pakt het prooidier bij de hals en slingert zich er in drie windingen omheen om het dood te drukken. Grotere hagedissen bijten zich langdurig in de slang vast en brengen het er vaak op die manier levend vanaf, ofwel de slang bijt ze in hun staart en dan laat die, zoals bekend bij hagedissen, los, en terwijl de slang die consumeert, gaat de hagedis er vandoor. Tussen juni en september brengt het wijfje 13 tot 18 levende, bijna staalblauwe jongen voort, waarna ze terstond vervelt.

 
 

Vragen of opmerkingen: redactie@kinderenwebhotel.be   
Copyright © 2004 Kinderen (Deze gegevens mogen enkel en alleen gebruikt worden voor schooldoeleinden en op niet-commerciële basis, en niet als informatie voor websites. Enkel links zijn toegelaten. )
De redactie kan niet verantwoordelijk worden gesteld voor eventuele fouten, of op ingezonden werken.