| |
HET WILDE KONIJN
Men heeft vaak geprobeerd konijnen met hazen te
kruisen, maar het is nooit gelukt en het zal ook nooit lukken. Ze lijken
op elkaar, maar eigenlijk zijn er heel belangrijke verschillen!
- Ten eerste verschillen het gebit en de schedel.
- Maar het grootste onderscheid zit in het aantal
chromosomen, dat bij het konijn 44 bedraagt en bij de haas 48. Door
dit verschil kunnen een konijn en een haas samen geen jongen
krijgen.
- Ook het gedrag van hazen en konijnen verschilt
van elkaar. Het konijn leeft in groepen en de haas leeft alleen; een
haas heeft geen hol, een konijn altijd, of het maakt een bovengronds
verblijf dat daarop lijkt.
- Het konijn is kleiner dan een haas, heeft veel
kortere achterpoten en geen zwarte oorpunten. De oren zijn ook
kleiner en de pels is grijzer dan van een haas en de onderkant van
de staart is wit.

Tot aan de laatste IJstijd was het konijn in
Midden-Europa inheems. Door deze platdrukkende ijsmassas is het konijn
toen uitgestorven, behalve in Spanje en Noordwest-Afrika.
Toen de Phoenicirs rond 1100 v. Chr. in Spanje kwamen, kwamen zij een
voor hen onbekende diersoort tegen, die bij nadering van de mens in
holen vluchtte.

Daarna is er een ware rage ontstaan om in allerlei
landen en op eilanden konijnen uit te zetten, hetgeen op de meeste
plaatsen in Europa maar al te goed lukte en binnen enkele jaren tot
enorme plagen leidde. Hier is AustraliPe een goed voorbeeld van!
In Amerika lukte het daarentegen niet. In 1951 werden in New-Yersey
20.000 konijnen losgelaten, waarvan er maar een paar overbleven. Dit
kwam waarschijnlijk door het virus: myxomatose.
Zoals gezegd leeft het konijn warm en droog in bouwen,
kasten of burchten.
De bouw: van buiten leiden 4 of 5 pijpen naar de centrale ketel
(wentel).
De pijpen hebben talrijke zijgangen. Meestal zijn er vanuit of vlak
naast de ketel 1 of 2 verticale pijpen (spring-pijpen), die alleen in
geval van nood worden gebruikt.
Toch kan het konijn zich in natte gebieden, waar geen
hol kan worden gegraven, aanpassen door bovengrondse schuilplaatsen te
maken, bv. tussen houtstapels.
De voorpoten van het konijn zijn echte graafwerktuigen. De achterpoten
worden alleen gebruikt om telkens het opgegraven zand met een krachtige
beweging onder de buik door naar achteren te werpen.
Konijnen krijgen veel jongen. De vrouwtjes kunnen
echter alleen paren van januari tot juli.
In die periode zijn dan ook 90 van de 100 wijfjes zwanger. De mannetjes
zijn al in november klaar voor de start, maar een eventueel afgedwongen
paring leidt dan niet tot zwangerschap.
Tijdens het paringsspel loopt de ram met stijfgehouden lopers om het
moertje heen, terwijl het zijn staart zo ver mogelijk naar boven
omgeklapt houdt, zodat het wit goed zichtbaar is. Soms bespuit hij zijn
uitverkorene met urine, waarbij hij de vreemdste sprongen over haar heen
maakt. Tot het verdere ritueel behoort het uitgebreid likken van kop en
oren. Man en vrouw zitten dan soms een half uur neus aan neus. Daarna
beklimt hij haar van achteren en volgt de vereniging, die in korte tijd
enkele malen wordt herhaald.
De eisprong wordt pas door de paring in gang gezet en
is ongeveer 12 uur later voltooid.
De draagtijd is 28-31 dagen.
Reeds enige uren na de geboorte van de jongen is het wijfje weer
paringsbereid en wordt opnieuw gedekt, zodat zij tijdens de zoogperiode
reeds nieuwe embryos in haar baarmoeder herbergt.
Toch is ook daarop een rem. Een bijzonderheid van konijnen is namelijk,
dat 60% van de zwangerschappen niett wordt voldragen. Dit is een soort
natuurlijke geboortebeperking.
Bij het wijfje waar dit optreedt worden de vruchtbeginselen vanaf de 12e
dag opgelost en door de baarmoederwand in 2 dagen volledig opgezogen.
Evenals bij een normale geboorte bevindt zich in de borstklieren melk.
Tevens wordt zij binnen enkele uren na deze "interne abortus" weer
gedekt.
Bij dit merkwaardige opruimingsproces speelt de rangorde van de wijfjes
een bepaalde rol, al weten we er nog niet alles van. In ieder geval
brengen de wijfjes die in rangorde het hoogste staan, de meeste jongen
ter wereld (5-7 maal per jaar 1-9 jongen). Of dit een natuurlijk
selectieproces is, om het woord elitevorming niet te gebruiken, is
onzeker.
Nog een bijzonderheid van konijnen is dat de mannelijke embryos in de
baarmoeder in de minderheid zijn ten opzichte van de vrouwelijke. Na de
geboorte verschuift zich die verhouding nog verder, zodat er tenslotte
100
rammen op 130 moertjes overblijven.
De moeder maakt op 100 meter afstand, of meer, van de
hoofdburcht een eigen "werpbouw". Dit is een eenvoudige pijp van 1-3
meter lengte, met aan het eind een kleine ketel of wentel, die ze
bekleedt met buikwol, mos en gras, en waar ze vervolgens haar blinde,
kale en tot de tiende dag dove jongen werpt.
Daarna verlaat ze het hol, maar maakt de ingang zorgvuldig dicht. Ze
doet dat zo netjes, dat vossen, bunzings, wezels en kraaien, alsmede
haar dierbare echtgenoot er letterlijk en figuurlijk geen lucht van
krijgen.
In de weken daarna komt ze 1 of hoogstens 2 keer per 24 uur terug om
haar kinderen te voeden. Na 8 dagen hebben ze een haarkleed(je), na 10
dagen zijn de oogjes open en eveneens na 10 dagen kunnen ze horen.
Naarmate ze groter worden hebben ze meer zuurstof nodig, reden waarom
hun moeder een klein gaatje in de aarde bij de ingang van de pijp
openlaat, dat ze iedere dag iets groter maakt. Dit is een risico met het
oog op passerend roofwild, maar het gaat toch telkens wonderlijk goed.
Zon werpbouw kan zich midden op een ouderwets natuurgras-hockeyveld
bevinden (eigen waarneming).
Na 4 tot 5 weken neemt het moertje het hele stel mee terug naar de
hoofdburcht en integreert het nieuwe gezin in het familieleven.
Wie ooit zon processie onbespied heeft kunnen waarnemen, vergeet dit
aandoenlijke beeld nimmer meer.
Het schijnt dat in de laatste tijd dit afgezonderde jongen-werpen minder
voorkomt. Onderzoekers denken dat de oorzaak daarvoor de abnormaal hoge
vossenstand is (hier, maar ook in Australi waar vossen massaal zijn
uitgezet om de konijnenstand te verkleinen), waardoor de konijnenwijfjes
van twee kwaden (manlief of de vos) de minste kiezen en de grote burcht
toch veiliger achten.
Na 5 maanden zijn de jonge konijnen geslachtsrijp. Het konijn kan zich
tot aan het
6e levensjaar vermenigvuldigen.
De maximumleeftijd is 9 jaar. Het gewicht van een volwassen konijn
varieert van 2 tot 3 pond.
Men zegt dat zeven konijnen evenveel eten als een
schaap, maar ze zijn veel selectiever in het uitzoeken van kruiden en
speciale gewassen. Hun menu omvat van alles, als het maar sappig en niet
giftig is. Boeren en bosbouwers kunnen enorme schade lijden, vooral door
het schillen van (vrucht)bomen, het consumeren van jonge zaailingen,en
het aanvreten van knolgewassen. Ook op golfbanen, kerkhoven en
graveltennisbanen kan de graafschade flink in de papieren lopen.
Het konijn is een razendsnel dier, dat op de vlucht de
meest onverwachte haken slaat. In tegenstelling tot het haas is het een
sprinter, dat als stayer spoedig uitgeput raakt. Op open terrein zonder
pijpen legt het tegen een hond, een vos, de marterachtigen of een havik
spoedig het loodje. Het is een echt schemerdier, maar als de zon schijnt
komt het toch ook wel overdag naar buiten. Kou zonder wind verdraagt het
goed, regen tot op zekere hoogte ook, maar aan wind hebben ze een hekel.
Er is dan ook veel meer bladergeruis en lawaai van zwiepende takken in
het bos, hetgeen het moeilijk maakt om verdachte geluiden op hun
betekenis te beoordelen. Bij uitgesproken slecht weer zitten de konijnen
"onder". Men ziet er vrijwel geen. Ze kunnen daar soms dagenlang
blijven.
Het gehoor en de reuk van konijnen zijn uitmuntend.
Het gezichtsvermogen is iets
minder maar toch nog prima.
Bij gevaar waarschuwen zij elkaar door met de achterlopers op de grond
te kloppen, hetgeen soms tot ver in de omtrek hoorbaar is. Ook onder de
grond wordt luid geklopt, bijvoorbeeld als er met fretten wordt gejaagd.
Evenals het haas heeft het konijn talrijke vijanden: vos, marter, wezel,
hermelijn, bunzing, das, buizerd, havik en uil.
In onze streken valt het konijn ieder jaar weer ten
prooi aan een myxomatose-epidemie, die in 14 dagen het konijn vrijwel
kan uitroeien.
De oorzaak daarvan ligt in Zuid-Amerika. De inheemse lijden konijnen
daar ook aan myxomatose, maar dan als betrekkelijk goedaardige
virusziekte.
In 1897 kwam deze ziekte voor de eerste keer in Zuid-Amerika voor. In de
tuin van een ziekenhuis in Montevideo bevonden zich Europese konijnen,
die ziek werden en allen stierven, omdat zij nooit met dit virus in
aanraking waren geweest en dus geen antistoffen hadden opgebouwd.
Vervolgens werden er in 1936-1938 in Australi
pogingen gedaan om het teveel aan konijnen door dit virus weg te
krijgen. Het mislukte, maar in Australi werd er enkele jaren later in
vochtige gebieden met veel muggen, toch een groot aantal konijnen ziek.
In 1952 verspreidde de ziekte zich over geheel
Frankrijk en later over geheel West-Europa.
Bij myxomatose heeft het konijn sterk gezwollen
oogleden en een dikke kop. Het zit meestal stil of beweegt zich zeer
langzaam voort. Vaak stroomt de etter uit de ogen. De reden daarvoor is
dat de muggen vooral langs de oogranden en de oorbases steken, omdat de
huid daar het dunste is.
Na 5 tot 7 dagen zwermt het virus door het lichaam uit en veroorzaakt
hersen-, ruggemerg- en longontstekingen, tot de dood een einde aan het
lijden maakt.
|
|