Start
Omhoog

    

konijn8.jpg (12152 bytes)

HET WILDE KONIJN

Men heeft vaak geprobeerd konijnen met hazen te kruisen, maar het is nooit gelukt en het zal ook nooit lukken. Ze lijken op elkaar, maar eigenlijk zijn er heel belangrijke verschillen! 

  • Ten eerste verschillen het gebit en de schedel. 
  • Maar het grootste onderscheid zit in het aantal chromosomen, dat bij het konijn 44 bedraagt en bij de haas 48. Door dit verschil kunnen een konijn en een haas samen geen jongen krijgen. 
  • Ook het gedrag van hazen en konijnen verschilt van elkaar. Het konijn leeft in groepen en de haas leeft alleen; een haas heeft geen hol, een konijn altijd, of het maakt een bovengronds verblijf dat daarop lijkt.
  • Het konijn is kleiner dan een haas, heeft veel kortere achterpoten en geen zwarte oorpunten. De oren zijn ook kleiner en de pels is grijzer dan van een haas en de onderkant van de staart is wit.

Tot aan de laatste IJstijd was het konijn in Midden-Europa inheems. Door deze  platdrukkende ijsmassaís is het konijn toen uitgestorven, behalve in Spanje en Noordwest-Afrika.
Toen de PhoeniciŽrs rond 1100 v. Chr. in Spanje kwamen, kwamen zij een voor hen onbekende diersoort tegen, die bij nadering van de mens in holen vluchtte. 

Daarna is er een ware rage ontstaan om in allerlei landen en op eilanden konijnen uit te zetten, hetgeen op de meeste plaatsen in Europa maar al te goed lukte en binnen enkele jaren tot enorme plagen leidde. Hier is AustraliŽ®Pe een goed voorbeeld van!

In Amerika lukte het daarentegen niet. In 1951 werden in New-Yersey 20.000 konijnen losgelaten, waarvan er maar een paar overbleven. Dit kwam waarschijnlijk door het virus: myxomatose.

  • Holenvorming

Zoals gezegd leeft het konijn warm en droog in bouwen, kasten of burchten.
De bouw: van buiten leiden 4 of 5 pijpen naar de centrale ketel (wentel).
De pijpen hebben talrijke zijgangen. Meestal zijn er vanuit of vlak naast de ketel 1 of 2 verticale pijpen (spring-pijpen), die alleen in geval van nood worden gebruikt.

Toch kan het konijn zich in natte gebieden, waar geen hol kan worden gegraven, aanpassen door bovengrondse schuilplaatsen te maken, bv. tussen houtstapels.
De voorpoten van het konijn zijn echte graafwerktuigen. De achterpoten worden alleen gebruikt om telkens het opgegraven zand met een krachtige beweging onder de buik door naar achteren te werpen.

  • Paring

Konijnen krijgen veel jongen. De vrouwtjes kunnen echter alleen paren van januari tot juli.
In die periode zijn dan ook 90 van de 100 wijfjes zwanger. De mannetjes zijn al in november klaar voor de start, maar een eventueel afgedwongen paring leidt dan niet tot zwangerschap.
Tijdens het paringsspel loopt de ram met stijfgehouden lopers om het moertje heen, terwijl het zijn staart zo ver mogelijk naar boven omgeklapt houdt, zodat het wit goed zichtbaar is. Soms bespuit hij zijn uitverkorene met urine, waarbij hij de vreemdste sprongen over haar heen maakt. Tot het verdere ritueel behoort het uitgebreid likken van kop en oren. Man en vrouw zitten dan soms een half uur neus aan neus. Daarna beklimt hij haar van achteren en volgt de vereniging, die in korte tijd enkele malen wordt herhaald.

De eisprong wordt pas door de paring in gang gezet en is ongeveer 12 uur later voltooid.
De draagtijd is 28-31 dagen.
Reeds enige uren na de geboorte van de jongen is het wijfje weer paringsbereid en wordt opnieuw gedekt, zodat zij tijdens de zoogperiode reeds nieuwe embryoís in haar baarmoeder herbergt.
Toch is ook daarop een rem. Een bijzonderheid van konijnen is namelijk, dat 60% van de zwangerschappen nietŹt wordt voldragen. Dit is een soort natuurlijke geboortebeperking.
Bij het wijfje waar dit optreedt worden de vruchtbeginselen vanaf de 12e dag opgelost en door de baarmoederwand in 2 dagen volledig opgezogen. Evenals bij een normale geboorte bevindt zich in de borstklieren melk. Tevens wordt zij binnen enkele uren na deze "interne abortus" weer gedekt.
Bij dit merkwaardige opruimingsproces speelt de rangorde van de wijfjes een bepaalde rol, al weten we er nog niet alles van. In ieder geval brengen de wijfjes die in rangorde het hoogste staan, de meeste jongen ter wereld (5-7 maal per jaar 1-9 jongen). Of dit een natuurlijk selectieproces is, om het woord éelitevorming niet te gebruiken, is onzeker.
Nog een bijzonderheid van konijnen is dat de mannelijke embryoís in de baarmoeder in de minderheid zijn ten opzichte van de vrouwelijke. Na de geboorte verschuift zich die verhouding nog verder, zodat er tenslotte 100
rammen op 130 moertjes overblijven.

  • Geboorte

De moeder maakt op 100 meter afstand, of meer, van de hoofdburcht een eigen "werpbouw". Dit is een eenvoudige pijp van 1-3 meter lengte, met aan het eind een kleine ketel of wentel, die ze bekleedt met buikwol, mos en gras, en waar ze vervolgens haar blinde, kale en tot de tiende dag dove jongen werpt.
Daarna verlaat ze het hol, maar maakt de ingang zorgvuldig dicht. Ze doet dat zo netjes, dat vossen, bunzings, wezels en kraaien, alsmede haar dierbare echtgenoot er letterlijk en figuurlijk geen lucht van krijgen.
In de weken daarna komt ze 1 of hoogstens 2 keer per 24 uur terug om haar kinderen te voeden. Na 8 dagen hebben ze een haarkleed(je), na 10 dagen zijn de oogjes open en eveneens na 10 dagen kunnen ze horen.
Naarmate ze groter worden hebben ze meer zuurstof nodig, reden waarom hun moeder een klein gaatje in de aarde bij de ingang van de pijp openlaat, dat ze iedere dag iets groter maakt. Dit is een risico met het oog op passerend roofwild, maar het gaat toch telkens wonderlijk goed.
Zoín werpbouw kan zich midden op een ouderwets natuurgras-hockeyveld bevinden (eigen waarneming).
Na 4 tot 5 weken neemt het moertje het hele stel mee terug naar de hoofdburcht en integreert het nieuwe gezin in het familieleven.
Wie ooit zoín processie onbespied heeft kunnen waarnemen, vergeet dit aandoenlijke beeld nimmer meer.
Het schijnt dat in de laatste tijd dit afgezonderde jongen-werpen minder voorkomt. Onderzoekers denken dat de oorzaak daarvoor de abnormaal hoge vossenstand is (hier, maar ook in AustraliŽĎ waar vossen massaal zijn uitgezet om de konijnenstand te verkleinen), waardoor de konijnenwijfjes van twee kwaden (manlief of de vos) de minste kiezen en de grote burcht toch veiliger achten.
Na 5 maanden zijn de jonge konijnen geslachtsrijp. Het konijn kan zich tot aan het
6e levensjaar vermenigvuldigen.
De maximumleeftijd is 9 jaar. Het gewicht van een volwassen konijn varieert van 2 tot 3 pond.

  • Voedsel

Men zegt dat zeven konijnen evenveel eten als een schaap, maar ze zijn veel selectiever in het uitzoeken van kruiden en speciale gewassen. Hun menu omvat van alles, als het maar sappig en niet giftig is. Boeren en bosbouwers kunnen enorme schade lijden, vooral door het schillen van (vrucht)bomen, het consumeren van jonge zaailingen,en het aanvreten van knolgewassen. Ook op golfbanen, kerkhoven en graveltennisbanen kan de graafschade flink in de papieren lopen.

  • Gedrag

Het konijn is een razendsnel dier, dat op de vlucht de meest onverwachte haken slaat. In tegenstelling tot het haas is het een sprinter, dat als stayer spoedig uitgeput raakt. Op open terrein zonder pijpen legt het tegen een hond, een vos, de marterachtigen of een havik spoedig het loodje. Het is een echt schemerdier, maar als de zon schijnt komt het toch ook wel overdag naar buiten. Kou zonder wind verdraagt het goed, regen tot op zekere hoogte ook, maar aan wind hebben ze een hekel. Er is dan ook veel meer bladergeruis en lawaai van zwiepende takken in het bos, hetgeen het moeilijk maakt om verdachte geluiden op hun betekenis te beoordelen. Bij uitgesproken slecht weer zitten de konijnen "onder". Men ziet er vrijwel geen. Ze kunnen daar soms dagenlang blijven.

  • Zintuigen

Het gehoor en de reuk van konijnen zijn uitmuntend. Het gezichtsvermogen is iets
minder maar toch nog prima.
Bij gevaar waarschuwen zij elkaar door met de achterlopers op de grond te kloppen, hetgeen soms tot ver in de omtrek hoorbaar is. Ook onder de grond wordt luid geklopt, bijvoorbeeld als er met fretten wordt gejaagd.
Evenals het haas heeft het konijn talrijke vijanden: vos, marter, wezel, hermelijn, bunzing, das, buizerd, havik en uil.

  • Myxomatose

In onze streken valt het konijn ieder jaar weer ten prooi aan een myxomatose-epidemie, die in 14 dagen het konijn vrijwel kan uitroeien.
De oorzaak daarvan ligt in Zuid-Amerika. De inheemse lijden konijnen daar ook aan myxomatose, maar dan als betrekkelijk goedaardige virusziekte. 
In 1897 kwam deze ziekte voor de eerste keer in Zuid-Amerika voor. In de tuin van een ziekenhuis in Montevideo bevonden zich Europese konijnen, die ziek werden en allen stierven, omdat zij nooit met dit virus in aanraking waren geweest en dus geen antistoffen hadden opgebouwd.

Vervolgens werden er in 1936-1938 in AustraliŽ pogingen gedaan om het teveel aan konijnen door dit virus weg te krijgen. Het mislukte, maar in AustraliŽ werd er enkele jaren later in vochtige gebieden met veel muggen, toch een groot aantal konijnen ziek.

In 1952 verspreidde de ziekte zich over geheel Frankrijk en later over geheel West-Europa.

Bij myxomatose heeft het konijn sterk gezwollen oogleden en een dikke kop. Het zit meestal stil of beweegt zich zeer langzaam voort. Vaak stroomt de etter uit de ogen. De reden daarvoor is dat de muggen vooral langs de oogranden en de oorbases steken, omdat de huid daar het dunste is.
Na 5 tot 7 dagen zwermt het virus door het lichaam uit en veroorzaakt hersen-, ruggemerg- en longontstekingen, tot de dood een einde aan het lijden maakt.

 

 

 

 

Vragen of opmerkingen: redactie@kinderenwebhotel.be   
Copyright © 2004 Kinderen (Deze gegevens mogen enkel en alleen gebruikt worden voor schooldoeleinden en op niet-commerciŽle basis, en niet als informatie voor websites. Enkel links zijn toegelaten. )
De redactie kan niet verantwoordelijk worden gesteld voor eventuele fouten, of op ingezonden werken.